Over primaat van de politiek ging het toch

DEN HAAG, 12 JUNI. Het was een moeilijke enquête. Eind jaren zestig riepen jonge revolutionairen dat de structuren moesten worden veranderd, een kwart eeuw later bekommerde negen bezadigde parlementariërs zich om niets anders. De parlementaire enquête naar de uitvoering van de WAO, de WW en de Ziektewet zocht niet naar schuld. Het ging om het falen van een systeem.

De openbare verhoren begonnen op 13 mei met het aankaarten van misstanden: fraudeurs die niet worden vervolgd, bedrijfsverenigingen die fungeren als uitkeringsfabriek, werkgevers en vakbonden die met de ziektewetpremies rommelen. Hoge ambtenaren en anderen ingewijden verhaalden hoe de sociale partners koste wat kost de baas wilden blijven in de wereld van de werknemersverzekeringen.

Op 24 mei kwam de tegenaanval. De sociale zekerheid was eind vorige eeuw bij de vakbeweging begonnen, en het “bedrijfstakeigene” was nog steeds heel belangrijk. Daarom moeten de werknemersverzekeringen door de sociale partners worden uitgevoerd, zo werd van die kant gesteld. Zij het dat iedereen besefte, of zei te beseffen, dat de uitvoeringsorganen regionaal of lokaal nauwer moeten samenwerken met de arbeidsbureaus, de gezondheidsdiensten, en wat niet al.

Anders dan vooraf door tal van critici was beweerd, kwamen de politici ruim aan bod. Als enige groep werden zij - woordvoerders van PvdA, CDA en VVD, en voormalige staatssecretarissen - twee keer gehoord. Duidelijk werd vooral dat in de jaren tachtig de politiek de macht van de sociale partners als uitvoerders van de sociale wetten liever onaangetast liet.

De bedrijfsvereniging. Het instituut 'bedrijfsvereniging' werd door de enquetecommissie-Buurmeijer kritisch bejegend. Vertegenwoordigers van de directies en de besturen van de bedrijfsverenigingen rechtvaardigden het bestaan van hun organisatie steevast met een verwijzing naar het “bedrijfstakeigene.” Maar wat dat nu precies is bleef, ondanks hardnekkig doorvragen van de commissieleden, volstrekt onduidelijk. Gisteren bleek dat zelfs voormalig CDA-minister van Sociale Zaken J. de Koning (1982-1989) nog steeds zoekt naar het antwoord.

Soms werd gewezen op de bovenwettelijke uitkeringen: als je via een CAO een extra verzekering afsluit, is het gemakkelijk als je die via de bedrijfsvereniging kunt laten uitvoeren. Maar dat argument verliest snel aan kracht. Het aantal bedrijfsverenigingen dat dezelfde bedrijven bestrijkt als een CAO is teruggelopen tot één, hooguit twee. Dankzij de automatisering is een verbijzondering binnen een groot bestand nu veel eenvoudiger dan vroeger. Zo fungeert het “bedrijfstakeigene” veeleer als dooddoener dan als bewijsmateriaal.

Sociale partners als uitvoerders. Ook bij het functioneren van de besturen van de bedrijfsverenigingen, waarin vertegenwoordigers van werkgevers en vakbonden zitting hebben, werden door de commissie forse vraagtekens geplaatst. De ene na de andere bestuurder vertelde dat hij veel tijd stak in het doorworstelen van de 'voorleggers' over individuele probleemgevallen, maar dat hij de administratie bijna altijd gelijk gaf. Kortom, veel moeite voor bijna niets.

Maar wat dan? Een uitvoering zonder sociale partners, met een organisatie die niet bedrijfstaksgewijs maar regionaal is opgezet? Zelfs de felste critici van de sociale partners - zoals de liberale hoogleraar C.K.F. Nieuwenburg, onafhankelijk lid van de Sociale Verzekeringsraad en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad - wilden de sociale partners niet geheel terzijde schuiven.

A.J. de Geus, CNV-bestuurder en lid van de SVr en de SER, kwam met een originele oplossing: laat de besturen van de bedrijfsverenigingen zich meer bemoeien met het beleid, en minder met individuele gevallen. Als sociale partners dan weer eens centrale afspraken maken, zoals in het najaar van 1990 over de Ziektewet en de WAO, dan zal de uitvoering van die afspraken wellicht minder problematisch zijn dan nu het geval bleek.

De Sociale Verzekeringsraad. De SVr werd tijdens de openbare verhoren onder kritiek bedolven. Verwonderlijk was dat natuurlijk niet. De aanleiding voor de enquête was immers een rapport van de Algemene Rekenkamer over het toezicht op de bedrijfsverenigingen door de SVr in 1988 en 1989. Het toezicht werd van A tot Z werd gekraakt. De Rekenkamer stelde zwart op wit dat staatssecretaris De Graaf (1977-1981 en 1982-1989) eenvoudig geen visie had over deze SVr-taak.

Kritiek was ook eenvoudig omdat de SVr inmiddels aan de rand van de afgrond staat. Het huidige kabinet wil het toezicht versterken maar ook overhevelen naar een onafhankelijk College van Toezicht, terwijl de Federatie van Bedrijfsverenigingen een publiekrechtelijke status krijgt en als officiële coordinator van de uitvoering gaat optreden. De advisering gaat naar de Ser. Van de SVr valt tussen wal en schip en wordt opgeheven.

Overigens kwam het Rekenkamerrapport eigenlijk als mosterd na de maaltijd. Voormalig staatssecretaris Ter Veld nam de laatste jaren, soms onder druk van de Tweede Kamer, diverse initiatieven om het toezicht van de SVr handen en voeten te geven. Vlak vóór de start van de enquêteverhoren stuurde zij haar wijzigingsvoorstellen voor de Organisatiewet Sociale Verzekering naar de Tweede Kamer.

Politiek en sociale partners. Vooral de laatste weken stond de relatie tussen politiek en sociale partners centraal. Met grote vasthoudendheid vroeg de enquêtecommissie steeds opnieuw naar de contacten tussen politici en werkgevers en/of werknemers. Centraal daarbij stond de vraag waarom, nadat in de jaren zeventig in Den Haag een reeks rapporten over een andere uitvoeringsorganisatie was verschenen, in de jaren tachtig toch alles bij het oude bleef.

Uit de verhoren van voormalig staatssecretaris Dales, haar opvolger De Graaf, oud-minister De Koning en oud-FNV-topman Kok - nu minister van financiën en PvdA-leider - bleek dat begin jaren tachtig de noodzaak tot bezuinigen overheerste. Om dan ook nog eens ruzie te krijgen met de sociale partners over de uitvoering, dat was teveel gevraagd.

Toch hadden De Koning en De Graaf wel degelijk eigen ideeën over de uitvoering. De Koning verheelde gisteren niet dat hij meer samenwerking per regio wilde, zoals in het befaamde rapport-Lamers al in 1979 was bepleit. Toen het moment kwam dat de sociale partners mede-verantwoordelijkheid gingen dragen voor de arbeidsvoorziening - de 'tripartisering' van de arbeidsbureaus - kaartte hij de uitvoering opnieuw aan. De Koning wilde de organisatie van de sociale zekerheid laten aansluiten op de regionale organisatie van de arbeidsvoorziening. De vakcentrales veegden het idee meteen van tafel. De Koning: “De liefde moet wel van twee kanten komen.”

Had Kok principiele bezwaren tegen een groter accent op de regio's, omdat hij vreesde dat de macht van de sociale partners in de uitvoering werd aangetast? Die vraag werd hem gisteren niet gesteld. “We wisten niet wat De Graaf en De Koning nu precies wilden,” zei hij gisteren verontschuldigend. En: “Soms kan het betere de vijand zijn van het goede”. Hoe dan ook, de uitvoering werd van de politieke agenda uitgevoerd, en het zou tot de jaren negentig duren voor het punt weer terugkwam.

Contra legem. Voormalig staatssecretaris Ter Veld zei het al op 18 april 1991 in de Tweede Kamer: “Laten wij onze gezamenlijke verantwoordelijkheid vooor de wetgeving niet helemaal veronachtzamen. Wij hebben een tijd gehad waarin wij expliciet uitvoering contra legem (in strijd met de wet, KC) hebben geaccepteerd. Wij, de wetgever, wisten dat. Wij hadden werkgevers en werknemers kunnen redresseren.” Maar voormalig minister De Koning houdt sinds zijn aftreden de Handelingen van de Tweede Kamer blijkbaar niet meer bij. Hij toonde zich gisteren zeer verbaasd dat twee sociale rechters er dezelfde opvatting op na hielden als Ter Veld.

Het ging om de getuigen prof. F.M. Noordam, plaatsvervangend lid van de Centrale Raad van Beroep, en G.A.J. van den Hurk, lid van dat hoogste rechtsorgaan van de sociale zekerheid. Beiden stelden dat de uitvoering van de WAO, in het bijzonder de 'verdiscontering' die toestaat dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten bijna automatisch een volle uitkering krijgen, in strijd is met de wet. Dat is al zo sinds een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in 1972. Wat dus ook inhoudt dat de circulaire van de Federatie van Bedrijfsverenigingen van 1973, die de bedrijfsverenigingen wijst op de mogelijkheid van verdiscontering, op gespannen voet stond met de wet.

Ien Dales. De minister van Binnenlandse Zaken stal ongetwijfeld de show, tot woede van FNV-voorzitter Stekelenburg die deze week sprak van “wilde aantijgingen”. Volgens Dales schuwen de sociale partners - ze doelde vooral op de vakbeweging - als ze hun zin willen krijgen persoonlijke dreigementen niet. Dales' “aantijgingen” hadden met de WAO, de WW en de Ziektewet niets te maken, dat is zeker. Toch blijft na afloop van de enquête dat beeld hangen: een dwarse vrouw, die zich keert tegen 'het corporatisme', die opkomt voor het primaat van de politiek. En dat was uiteindelijk tóch het onderwerp van deze enquête.