NIEUW-GUINEA

De Gouden schubben van de slang door Herbert Paulzen 191 blz., Bzztôh 1993, f 34,50 ISBN 90 6291 822 0

Naar het Sneeuwgebergte door Bart Vos 261 blz., Nijgh & Van Ditmar 1992, f 34,90 ISBN 90 388 8262 9

De Toren van Babel was van modder gemaakt en stond in het moerasgebied van Nieuw-Guinea, Tom weet het zeker. En Noach kwam uit het dorp Inbanawan, een slecht dorp dat door het water werd verzwolgen. Nee, zegt Tom, de verhalen uit de Bijbel van de missionarissen, die kenden wij allang.

Tom is een van de ongeveer 3,5 miljoen inwoners van Papoea Nieuw-Guinea, het halve eiland dat de oostelijke grens van Indonesië vormt. De andere helft, Irian Jaya, valt zoals bekend onder Indonesisch gezag, terwijl Papoea Nieuw-Guinea (PNG) in 1975 onafhankelijk werd. Over deze door een volstrekt kunstmatige grens gescheiden gebiedsdelen zijn de afgelopen tijd boeken van twee Nederlanders verschenen. Over zijn zwerftochten door PNG schreef Herbert Paulzen De Gouden schubben van de slang; Bart Vos maakte eveneens twee lange reizen door Irian Jaya in de voetsporen van een Nederlandse expeditie uit 1936 en schreef daarover Naar het Sneeuwgebergte. Het toeval wil dat beiden ook eerder over de Himalaya hebben geschreven. Hiermee houden de overeenkomsten echter op. Om kort te gaan: Bart Vos kan schrijven, prachtig schrijven, en Paulzen niet.

Als reisbestemming kleven er aan PNG grote nadelen: het is er peperduur, het vervoer is lastig, het klimaat is vaak heel onaangenaam en de kleine criminaliteit - daar aangeduid als het rascal-probleem - neemt hand over hand toe. Ondanks de meestal slechte ervaringen van de Papoea's met de waitmannen wordt Paulzen doorgaans vriendelijk bejegend. Van zijn kant koestert hij een aan liefde grenzende genegenheid voor hen. Het is inderdaad ontroerend om te lezen hoe woest uitgedoste krijgers met veren, stukjes blik en gescheurde repen van verkiezingsaffiches in hun hoofdtooien, bij wijze van groet zijn arm strelen en langdurig zijn hand vast houden, of hem in kasuaris-veren, schelpenkettingen en bladerrokje steken voor een sing-sing.

Paulzen maakt het zich gemakkelijk, zowel bij het reizen als bij het schrijven. Hij had in de hoofdstad Port Moresby een spraakmakende minister willen interviewen, maar ja, ach... ""Ik voel me rustig worden en krijg steeds minder interesse in dat interview. Eigenlijk wil ik helemaal niets meer.'' En dan zijn we nog maar op bladzij 31. Gehuld in een wolk van landerig welbehagen laat hij de belevenissen over zich heen komen; thuis pakt hij zijn dagboek en schrijft alles achter elkaar op, met sympathie maar zonder spanning, structuur of richting.

Bart Vos daarentegen heeft uit zijn ervaringen op Irian Jaya een verhaal gedestilleerd van een onmiskenbare literaire kwaliteit. Aanleiding tot zijn reis is het besluit in de voetsporen te treden van Anton Colijn, zoon van de staatsman, die in 1936 een expeditie leidde naar de hoogste bergen van N-Guinea met namen als Julianatop en Wilhelminatop. Het verschil is dat de Indonesische machthebbers het de hedendaagse reiziger zo moeilijk mogelijk maken met hun reisvergunningen en het daarbij behorende smeergeld.

Maar tegen de tijd dat Vos zijn doel eindelijk bereikt - ik zal hier niet verklappen hoe - is Colijn allang in belang overschaduwd door de mensen die Vos onderweg is tegengekomen en die hij in kort bestek tot leven weet te wekken. We maken kennis met de islamitische wegenbouwer Agus; met een Papoea met de curieuze naam Mimikaan Utrecht, die Vos in keurig Nederlands begroet en in Colijns boek een foto van zijn moeder ontdekt; met een dorpshoofd dat gekleed gaat in peniskoker en zonnebril, met een potlood door zijn neus en aan een oorlel het wagentje van een ritssluiting. De bejaarde onderwijzer Abraham Ndiwinolbak herinnert zich levendig zijn bezoek aan Soestdijk, waarbij hij van koningin Wilhelmina een hand kreeg. En dan zijn er ook de geheimzinnige schoonheid Nathalie, vriendin van de Radja; het barmeisje Maria; en de strijdbare studente Sarah, aan wie het boek is opgedragen.

Vos is een scherp observator met een droog gevoel voor humor. Daarnaast heeft hij gevoel voor timing en een beheerste verteltrant die aan zijn belevenissen, zowel de tragische als de dolkomische, een verhoogde impact verlenen. Hierin is hij schatplichtig aan Lieve Joris, met wie hij goed bevriend is. De overeenkomsten met haar boek Terug naar de Congo zijn soms heel opvallend, bijvoorbeeld wanneer Vos Colijn voor het gemak zijn oom gaat noemen (Joris reisde in de Congo haar heeroom achterna), en ook zijn reis met de kustvaarder Nasuna herinnert aan Joris' epische riviertocht door Zare. Mij stoort het niet, integendeel: het is te hopen dat boeken als deze een nieuwe standaard zetten voor de Nederlandse reisliteratuur.

    • Tracy Metz