Minister Kooijmans: 'Fressen en Moral hangen met elkaar samen'

De Nederlandse minister van buitenlandse zaken PETER KOOIJMANS, leider van de Nederlandse delegatie naar de WCHR, meent dat in 45 jaar vooruitgang is geboekt op het gebied van de mensenrechten. Maar die wordt nu bedreigd door "regionalisatie' van dit thema.

DEN HAAG, 12 JUNI. “Ik had gehoopt dat de verworvenheden van de VN op het gebied van de mensenrechten zouden worden bevestigd en uitgebouwd, maar ik moet u eerlijk zeggen dat er al zoveel schaduwen over de conferentie hangen dat ik al blij zal zijn als er geen stappen terug worden gezet. Het is niet de bedoeling dat op de conferentie concrete landen ter verantwoording worden geroepen, maar als de situatie in Joegoslavië aan de orde wordt gesteld, dan zal iedereen zijn eigen specifieke gebiedje ter tafel brengen en dan kan het ontaarden in een elkaar over en weer de maat nemen. Daar wordt niemand wijzer van.”

Voor minister van buitenlandse zaken Peter Kooijmans, hoofd van de Nederlandse delegatie naar de Wereldconferentie over de Rechten van de Mens (WCHR), voorheen speciaal rapporteur inzake foltering van de VN, kwamen de strubbelingen rondom de conferentie niet helemaal onverwachts. “Met het wegvallen van de Oost-West-tegenstelling is de discussie niet eenvoudiger geworden. Uit Aziatische hoek horen we al jarenlang dat er van Westerse kant, waar de nadruk traditioneel op de burger- en politieke rechten ligt, onvoldoende waardering bestaat voor het verwezenlijken van de sociaal-economische grondrechten. Het is natuurlijk waar dat in Azië als gevolg van de economische groei een aantal economische problemen is overwonnen. Het argument dat mensenrechten moeten worden verstaan in een bepaalde regionale en culturele context kende ik wel van Iran en China, maar door landen als Indonesië, Singapore en Thailand is het nog niet eerder met die kracht opgevoerd.

“De Aziatische landen hebben altijd geaarzeld zich te committeren aan de universaliteit van de mensenrechten. Het is een winstpunt voor de Westerse landen dat de VN erkennen dat de burger- en politieke en de sociale, economische en culturele rechten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Je kunt dus niet meer zeggen: Erst kommt das Fressen und dann die Moral. Die twee hangen met elkaar samen. De Derde wereld verwijt ons dat we een overdreven aandacht hebben voor de burger- en politieke rechten. Ik vind dat we dat argument serieus moeten nemen, maar de ontwikkeling van een maatschappij kan pas echt stabiel zijn als de burgerrechten worden geëerbiedigd.

“Natuurlijk krijgen mensenrechten in sommige culturen een andere invulling dan in de individualistisch ingestelde Westerse maatschappij, maar dat betekent niet dat ze door die regionale cultuur bepááld worden. Foltering kun je niet duiden vanuit een regionale cultuur. Mij is nooit gebleken dat slachtoffers van folteringen zeiden: och, wat er bij ons gebeurt is te verklaren vanuit onze cultuur, dat voelen wij niet als een aantasting van de mensenrechten. Martelen wordt in cultuur A als een even essentiële mensenrechtenschending beschouwd als in cultuur B.

“Het debat met Azië is niet vergelijkbaar met de tegenstelling Oost-West, want het marxisme was per slot van rekening de vrucht van Westers denken. Het is het verschil tussen die landen die altijd een zeer sterke nadruk hebben gelegd op de individuele waarde van de mens en die landen waar de collectiviteit, gepersonifieerd in de staat, op de voorgrond staat. Toch moeten we die tegenstellingen ook weer niet overdrijven. Kijk naar het grote aantal NGO's in Azië die werken voor de mensenrechten. Je kunt niet zeggen dat die allemaal uit het Westen geparachuteerd zijn.”

De landen van de Derde wereld eisen recht op ontwikkeling.

“Ons standpunt is dat het recht op ontwikkeling van bevolkingen, die worden vertegenwoordigd door staten, ook ten goede komen aan individuën. Onder collectieve rechten versta ik rechten van groepen en niet van de staat. Rechten van de staat betitelen als mensenrechten is verbale gymnastiek.”

Maar staten worden vandaag de dag steeds ondefinieerbaarder, zoals Joegoslavië.

“Dat is waar, maar Joegoslavië is gelukkig nog niet de rest van de wereld. En ook in het geval van Joegoslavië hebben we te maken met aanspreekbare staten. Je kunt Kroatië aanspreken op de manier waarop ze hun minderheden beschermen. Ook in de rest van Europa wordt steeds vaker gesproken over rechten van minderheden. Je moet bereid zijn daarover na te denken, waarbij je degene die deel uitmaakt van een minderheid niet ziet als het volstrekte individu, maar ervan uitgaat dat de rechten van een collectiviteit iets meer zijn dan de rechten van de bij elkaar opgetelde personen die die minderheid uitmaken.

“Het wezen van good governance is dat àlle leden van de samenleving ervan moeten profiteren. Het recht op ontwikkeling betekent dus niet uitsluitend het recht van regeringen om harde eisen te stellen over ontwikkelingssamenwerking. Ik had gehoopt dat we die discussie een beetje vooruit konden helpen, maar onderken nu het gevaar dat de Aziatische landen mensen uit andere culturen eigenlijk geen recht van spreken willen geven waar het de naleving van die universeel erkende rechten aangaat. Je zegt dus wel: alle mensenrechten zijn universeel, maar ze vinden in verschillende culturen een verschillende toepassing. Dan krijg je een regionalisatie van de mensenrechten. Dat is in feite een miskenning van wat in 45 jaar is opgebouwd.”

De Bangkok-verklaring van de Aziatische voorvergadering voor de Conferentie is heel scherp over de conditionaliteit van ontwikkelingshulp. Die mag niet afhankelijk gesteld worden van het mensenrechtenbeleid. Is dit een Indonesische afrekening met Nederland over de affaire-Pronk?

“De Pronk-affaire was een incident en als er geen voedingsbodem voor was geweest zou het geen effect gehad hebben. Het bedenkelijke is natuurlijk dat die Bangkok-verklaring een groepsverklaring is. We moeten ons afvragen of we ergens de mist in zijn gegaan in de manier waarop we de mensenrechten hebben benaderd. Kennelijk was Pronk de druppel die de emmer deed overlopen. Maar ik vind dat, aangezien de mensenrechten universeel zijn erkend, iedereen erop aanspreekbaar is. Je moet daarbij wel rekening houden met de gevoeligheden die er zijn en iemand aanspreken op iets wat hij ook als waardevol erkent. Als speciale rapporteur voor folteringen vond ik het altijd een probleem dat je het verbod op folteringen niet in een context mocht plaatsen - dan werd ik op mijn vingers getikt omdat ik mijn mandaat overschreed. Je bent dan niet in staat tegelijkertijd te wijzen op de positieve ontwikkelingen in een land. Zo krijg je dan toch iets als een overbelichte opname.”

De VN maken een bureaucratische, inefficiënte en machteloze indruk. Wat zijn uw ervaringen als speciaal rapporteur voor folteringen?

“Ik vind het mensenrechtenbeleid van de VN buitengewoon effectief. Om te beginnen was er bijna geen land meer dat zegt: bemoei je met je eigen zaken, hoewel dat element in die verklaring van Bangkok nu helaas opeens weer doorklinkt. In mijn zeven jaar als speciale rapporteur heb ik een Unmenge brieven en telegrammen verstuurd, waarop ik nooit het antwoord kreeg dat ik me er niet mee mocht bemoeien. Dat is een enorme vooruitgang. Twintig jaar geleden zou dat ondenkbaar zijn geweest. Daarnaast zijn de zaken ook bespreekbaarder geworden bij regeringen. Ik deed na landenbezoek altijd concrete aanbevelingen: zou u die wet niet intrekken of uw politiekorps niet hervormen? Die aanbevelingen werden serieus genomen. In een aantal gevallen hebben ze een discussie op gang gebracht en soms zijn ze ook nageleefd. Zo heeft de Turkse regering de tijd dat iemand in voorarrest mag zitten zonder zijn advocaat te zien - een uitnodiging tot foltering - gereduceerd. Helaas maken ze nog wel een uitzondering voor de gebieden onder de staat van beleg en voor staatsmisdrijven. Ook is in de wet opgenomen dat een arrestant een medisch onderzoek moet ondergaan om te controleren of hij niet gefolterd is. Dat zet een methode van denken op gang, die op de lange duur effect kan gaan sorteren. Je kunt de mensenrechtengeschiedenis van de VN in drie delen opsplitsen: van 1948 tot 1968 hield men zich bezig met het opstellen van normen. Of die ook werden nageleefd was de bevoegdheid van de lidstaten. Vanaf 1968 is men geleidelijk gaan praten over toezicht op de naleving van die normen. Dat heeft een enorme vlucht genomen toen eind jaren zeventig al die rapporteurs werden benoemd. In de tweede helft van de jaren tachtig kwam de derde trap: de VN moeten het instrumentarium leveren om regeringen met een achterstand te helpen met mentaliteitstraining en opvoeding.

“De VN is een log apparaat, dat hiertoe nooit is uitgebreid. Toen ik aantrad als rapporteur moest ik zelf een student uit Nederland meenemen om de dossiers te ordenen! Maar ik heb een veel wijder speelveld gehad dan rapporteur Van der Stoel, die in Irak moest werken - een van de meest ondankbare landen, dat absoluut tot geen enkele medewerking bereid is. Ik had het gevoel dat wat ik deed niet gehéél zonder effect was. Let op de genuanceerde wijze waarop ik dat uitdruk.

“Ik ben nooit tevreden geweest over de respons, maar het aantal landen dat reageerde nam toe en ook het aantal reële antwoorden, waarna vervolgens een onderzoek werd ingesteld. Ik kreeg steeds minder antwoorden in de trant van: bij ons kan niet gefolterd worden want de grondwet verbiedt het. Trots was ik als ik bericht kreeg over een individueel geval, dat de omstandigheden waarin hij werd vastgehouden waren verbeterd, of dat hij was vrijgelaten. Dan kon mijn jaar niet meer stuk. Al kwam dat maar vijf keer per jaar voor, al kwam het bij wijze van spreken maar één keer per jaar voor, dat was toch een mensenleven. De pest had ik erin als ik het gevoel had dat ik met mijn vuist op een deur bonkte en er kwam helemaal geen antwoord. Maar dat bonken nam af. Misschien ben ik een idiote optimist. Toen ik mijn rapporteurschap neerlegde was ik bang dat men, indachtig mijn aanvaringen met de Sovjet-Unie, zou eisen dat de functie moest rouleren over de verschillende regio's, met andere woorden dat er iemand benoemd zou worden die minder fel was. Maar ik ben opgevolgd door Nigel Rodley, juridisch medewerker van Amnesty International. Dat kwam voor mij weer als een aangename verrassing.”