KOSMOS

Cranks, Quarks, and the Cosmos door Jeremy Bernstein 220 blz., BasicBooks 1993, f 53,15 ISBN 0 465 08897 X

Al meer dan dertig jaar schrijft de theoretisch natuurkundige Jeremy Bernstein profielen van vakgenoten voor het vermaarde tijdschrift The New Yorker. Het eerste handelde over T. D. Lee en C. N. Yang, twee Chinese fysici die in 1957 de Nobelprijs ontvingen. Over hun sensationele ontdekking dat sommige interacties van elementaire deeltjes in spiegelbeeld niet dezelfde natuurwetten volgen, schreef Bernstein in 1962 een stuk van zestig pagina's, bij elkaar een derde van het nummer.

Een fysicus die ook nog eens met de pen overweg kon, dat was in de jaren zestig een grote zeldzaamheid. Mede door de pioniersarbeid van Bernstein ligt dat tegenwoordig anders. Paul Davies, Stephen Hawking, Abraham Pais, Richard Feynman, Steven Weinberg, het zijn maar enkele voorbeelden van natuurkundigen die hun ervaringen te boek hebben gesteld of die zich hebben ingespannen de nieuwste (veelal complexe) ontwikkelingen in hun vakgebied voor een breed publiek toegankelijk te maken. Ook in Nederland hebben we natuurkundigen met schrijftalent: H. B. G. Casimir, nestor van de vaderlandse fysica en redacteur van De Gids, Gerard 't Hooft en het Amsterdamse columnistenduo Frans W. Saris en Ad Lagendijk.

Cranks, Quarks, and the Cosmos is een bundeling van wat kortere artikelen die Bernstein het afgelopen decennium publiceerde in uiteenlopende bladen als The New York Review of Books, The American Scolar en The New Yorker. Vaak zijn het reflecties op pas verschenen (auto)biografieën, zoals die van Erwin Schrödinger, Niels Bohr, Alan Turing en Primo Levi. Ook doet Bernstein verslag van zijn ervaringen als beginnend schrijver - voor collega's met aspiraties in die richting altijd aardig om te lezen. In dit verband is de titel al even leerzaam: het is van eminent belang dat de term "kosmos' (of iets van gelijke strekking) erin voorkomt, dat scheelt aanmerkelijk in de verkoopcijfers.

Bernsteins succes als schrijver ligt in de soepele wijze waarmee hij zijn persoonlijke ervaringen als fysicus met zijn onderwerp weet te verweven. Dat geeft zijn stukken een warmte en een intimiteit (al loert soms het gevaar van de zelfgenoegzaamheid) die ze, ook al omdat ze van de hand van een ingewijde zijn, ver uittillen boven het niveau van de meer beschrijvende, "op afstand' operende wetenschapsjournalistiek. Een carrière als full-time schrijver is de Amerikaan overigens altijd uit de weg gegaan. Hij wijst op het voorbeeld van Primo Levi, die op achtenvijftigjarige leeftijd ophield chemicus te zijn, waarna zijn stukken, aldus Bernstein, aan spanning inboetten.

In het openingsstuk How Can We Be Sure That Albert Einstein Was Not a Crank! verplaatst Bernstein, die als iedere gearriveerde natuurkundige regelmatig wordt lastiggevallen door zonderlingen die weer eens een perpetuum mobile of iets vergelijkbaar revolutionairs menen te hebben uitgevonden, zich in de schoenen van de jeugdige klerk Albert Einstein, die immers in 1905 met de wel zeer tegendraadse relativiteitstheorie op de proppen kwam. Na een vlot geschreven, historisch verantwoord en bijzonder verhelderend betoog concludeert Bernstein dat er wel degelijk eenvoudige criteria bestaan om de warhoofden van de genieën te onderscheiden, en dat er destijds met Einstein niets mis was.

    • Dirk van Delft