Hooftprijs: mannenbolwerk in de Nederlandse literatuur; De feestredenaar, Hugo Brandt Corstius, zette de toon met enkele grollen ten koste van Sarah Verroen

Een van de laatste mannenbolwerken in de Nederlandse literatuur is de P.C. Hooft-prijs voor beschouwend proza.

We hebben het geweten. De bijeenkomst voor de uitreiking op 21 mei zal zeker bijzonder geweest zijn (met een unieke feestrede en cabaret tot slot), maar daarnaast was het kennelijk een ouderwetse masculinistische vertoning: een geheel uit mannen bestaande jury, alleen mannelijke woordvoerders, en afgeven op vrouwen. Het verslag in deze krant (22 mei) wond er geen doekjes om.

De feestredenaar, Hugo Brandt Corstius, zette de toon met enkele grollen ten koste van Sarah Verroen, die het had gewaagd Gerrit Komrij een vrouwenhater te noemen. Het staat geboekstaafd in de gedrukte, en verkorte, versie van zijn rede. Slaat men ook het artikel van Sarah Verroen zelf op (in De Groene van 14 april), dan blijkt het verwijt nog niet eens te kloppen.

Na haar moest Janneke Brinkman het een paar keer ontgelden. Zij schildert immers aquarellen en heeft daar succes mee. Of misschien was het een nog grotere euveldaad van haar getrouwd te zijn met de ex-minister van WVC, die acht jaar geleden een beslissing genomen heeft die de heren niet welgevallig was.

Genoeg verdachtmakingen! Ongetwijfeld hadden de sprekers ook nobeler bedoelingen. Vast staat dat Komrij als veertiende de P.C. Hooft-prijs voor beschouwend proza heeft gewonnen. Dat is prachtig. Minder mooi is dat hij ook de veertiende man is, die deze prijs gekregen heeft.

Zijn voorgangers waren: A.M. Hammacher, E.J. Dijksterhuis, L.J. Rogier, P.C. A. Geyl, Victor E. van Vriesland, F.G.L. van der Meer, W.J.M.A. Asselbergs, Abel J. Herzberg, Rudy Kousbroek, Cornelis Verhoeven, Karel van het Reve, Hugo Brandt Corstius en Kees Fens.

De lijst bevat een aantal klinkende namen, zoals Dijksterhuis, Geyl en Herzberg, om mij tot de oudste lichtingen te beperken. Anderen zijn enigszins in vergetelheid geraakt, en van sommigen staat men even te kijken. Ook mist men deze en gene. Waarom ontbreekt Annie Romein-Verschoor? En Henriëtte de Beaufort? En Renate Rubinstein? En Helene Nolthenius? En Ethel Portnoy? Ja, welke vrouwelijke auteurs hier nog meer genoemd zouden kunnen worden, het volledig ontbreken van deze vijf is een schandaaltje op zichzelf. In ruil voor enkele van hen hadden enkele mannen toch best gemist kunnen worden.

Dat is heel wat erger dan bij de P.C. Hooft-prijs voor poëzie. Het heeft weliswaar tot 1979 moeten duren voor Ida Gerhardt als eerste dichteres werd bekroond, maar inmiddels zijn er nog twee anderen uitverkoren (Vasalis en Elisabeth Eybers). De prijs voor proza ging de eerste keer al naar een vrouw, naar Amoene van Haersolte, die hem in 1947 samen met Arthur van Schendel kreeg. De P.C. Hooft-prijs was toen nog geen oeuvreprijs. Sindsdien kregen Anna Blaman en Hella Haasse de proza-prijs voor hun gehele oeuvre.

Bij de prijs voor beschouwend proza, die in het verleden ook wel de prijs voor essay heette, is het dus het ergst. Het is zelfs zo erg dat de meeste jury's alleen uit mannen bestonden. Van de vijftien jury's die er in de loop van de jaren zijn geweest (één maal, in 1969, is geen kandidaat voorgedragen) hadden er tien alleen mannelijke leden. Pas sinds 1972 maakt soms een vrouw deel uit van de jury. Al met al zijn er nu zes vrouwelijke juryleden geweest, op een totaal van zevenentachtig (de jury's hadden vijf dan wel zeven leden). De stand is dus zes tegen eenentachtig. Zou het iets met die andere stand van nul tegen veertien te maken kunnen hebben?

Bij de samenstelling van de jury's voor poëzie en proza ging het natuurlijk evenmin eerlijk toe. Ook daar waren vrouwen dikwijls niet of slechts met één persoon vertegenwoordigd. Het bekronen zélf bleef ook daar bij uitstek mannenwerk. Maar er waren toch aanmerkelijk meer vrouwen bij betrokken. Twee van de in totaal vijfenveertig jury's voor de P.C. Hooft-prijs bestonden zowaar in meerderheid uit vrouwen (dat was in 1971 en in 1974), en vijf keer was een vrouw voorzitter. Al deze gevallen betroffen de proza-prijs.

Hoe komt het dat de vrouwelijke auteurs bij het verhalend proza zoveel meer inspraak hebben gekregen dan bij de poëzie? Mijn vermoeden is dat dit komt omdat voor velen de poëzie nog altijd het hoogste genre is, de literaire kunst bij uitstek, zodat het op meer weerstand stuitte hier het oordeel uit handen te geven. En hoe komt het dat de toestand bij het beschouwend proza het schrijnendst is? Ik denk dat dit komt omdat beschouwend proza vaak ook oordelend proza is, zodat de weerstand om vrouwen te laten oordelen zich verdubbelde tot de weerstand om hen over het oordelen te laten oordelen.

Vergeet niet dat de gezelschappen, die de juryleden kiezen, natuurlijk zelf overwegend mannengezelschappen zijn. Om de gedachten te bepalen: het bestuur van de Stichting voor de P.C. Hooft-prijs bestaat uit zes mannen en een vrouw.

Het lijkt mij verstandig deze cirkel te doorbreken, speciaal wat betreft de prijs voor beschouwend proza. Prijswinnaressen zijn niet op afroep beschikbaar, capabele vrouwelijke juryleden zijn best te vinden. Ik stel daarom voor dat ter compensatie van de vijftien jury's die geheel of in meerderheid uit mannen bestonden, wordt besloten om een aantal malen achtereen de jury in meerderheid of uitsluitend uit vrouwen te laten bestaan. Geen vijftien keer, want ik besef heel goed dat er meer mannen dan vrouwen actief zijn op het gebied van het beschouwend proza, maar toch wel ten minste vijf keer. Daarna kan men verder zien.

Wellicht dragen ook deze nieuwe jury's weer mannelijke schrijvers voor, zoals ook de jury's uit 1971 en 1974 mannelijke auteurs, namelijk W.F. Hermans en Simon Carmiggelt, hebben voorgedragen. Dat zal dan prettig zijn om te weten en het kan zelfs een geruststelling betekenen. En als vrouwen worden voorgedragen kunnen zij altijd nog worden weggehoond. Daar hebben tenminste beide partijen plezier van.