GRONINGEN

Architectuur en stedebouw in Groningen 1850-1940 door Margriet Panman en Jans Possel 160 blz., gell., Waanders/RdmZ, f 30,- ISBN 90 6630 374 3

Toen het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in het midden van de jaren tachtig werd gelanceerd, gold als hoofddoel de totale inventarisatie van de jongere bouwkunst en stedebouw in Nederland. Verder werd gestreefd naar bevordering van kennis over en waardering voor deze bouwkunst en stedebouw door middel van publikatie van het inventarisatiemateriaal. Deze doelstellingen worden thans verwezenlijkt in de vorm van een zestien-delige reeks (twaalf provincies plus de vier grote steden).

Onlangs verscheen het zevende deel in de serie Architectuur en stedebouw in Groningen 1850-1940. De opzet van het werk is thematisch en geen enkel onderwerp omvat meer dan een tiental pagina's. Dit betekent dat alleen het beste en meest karakteristieke is geselecteerd. De opzet van het MIP was om door historisch-geografische beschrijvingen bestaande opvattingen over landschappen te nuanceren. Bovendien dienden vooral de minder in het oog lopende architectuur in de niet-stedelijke kernen te worden opgespoord en gedocumenteerd. Die tweeledige opzet is terug te vinden in dit boek: in de eerste hoofdstukken komt de ontwikkeling van het Groningse cultuurlandschap aan de orde, daarna wordt op de materiële neerslag van een en ander ingegaan. Behalve voor bekende woningen, kerken en bestuursgebouwen is er bijzondere aandacht voor bedrijfspanden en andere functionele bouwwerken.

En hoe we het ook wenden of keren: Groningen blijft toch de provincie van de kapitale boerderijen, van de aardappelmeel- en strokartonfabrieken en van de scheepsbouw, dat maakt dit boek weer duidelijk. De eerste aardappelzetmeelfabriek verrees in 1840 te Muntendam. In de zestig jaar daarna werden nog zevenentwintig andere fabrieken gesticht, waarvan de meeste in handen kwamen van W. A. Scholten (1816- 1892), die uitgroeide tot één der grootste industriëlen van ons land. Van de vele fabrieksgebouwen in deze branche zijn in Groningen slechts weinige bewaard gebleven, waaronder dat van "De Toekomst' - geen markant pand dat thans wordt benut voor autohandel en vlooienmarkt. Voor de vroegere strokartonfabrieken lijkt de zaak niet veel gunstiger, want ook hier heeft het verval sterk toegeslagen en gevreesd moet worden dat, zonder beleid of hergebruik, de meest interessante relicten spoedig zullen zijn verdwenen.

De boerenbedrijven liggen er dan heel wat florissanter bij en er worden niet minder dan zeven typen onderscheiden in het Groningse. Tot in de negentiende eeuw overheerste de veeteelt in de provincie, maar onder andere door het in cultuur brengen van de "dalgronden' na de vervening, door verbetering van de ontwatering en door buitenlandse vraag naar akkerbouwprodukten evenaarde de oppervlakte bouwland die van het grasland al rond 1850, om deze vervolgens volledig te overvleugelen. Het resultaat was ernaar, want dank zij de sterk toegenomen welstand der boeren zijn thans vele akkerbouwbedrijven monumentaal van karakter.

Zo ontwikkelden zich grote driekapsschuren door van twee tegen elkaar geplaatste schuren de tussenliggende muur weg te breken en op de binnenste uiteinden der beide gebintstellen een derde zadeldak te plaatsen. In een geval te Slochteren kwam op deze wijze zelfs een zeskap tot stand, een teken dat de zaken wel bijzonder voor de wind gingen.

Architectuur en stedebouw in Groningen 1850-1940 is een evenwichtig en geslaagd boek. Het wordt gecompleteerd door een lijst van relevante literatuur, een set stijl- en bouwkundige termen en het omvat registers van architecten en plaatsnamen, waardoor het eventueel zelfs als reisboek bruikbaar is.

    • A.F.J. Niemeijer