GRONDWET

Verhalen over de Grondwet door A. W.Heringa, C. H. A.Litjens en R. E.de Winter (red.) 163 blz, Sdu Juridische en Fiscale Uitgeverij 1993, f 55,- ISBN 90 5409 050 2

"Stelt u zich eens voor. U woont in de binnenstad en op een dag treft u voor uw woning een parkeermeter aan'. Zo begint een van de eenenveertig verhalen die achtentwintig rechtsgeleerde auteurs hebben gebundeld ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van de algehele herziening van de Grondwet in 1983. Het is een zeer toegankelijk boekje geworden met thema's zo verscheiden als de ""weiger-yuppies' bij de dienstplicht en de nietszeggendheid van de grondwetsbepalingen over de belastingen. Deze serie momentopnamen moet overigens wel een algemene inleiding of epiloog missen. Duidelijk wordt in elk geval wel dat ook een opgepoetste Grondwet geen rustig bezit is - hetgeen trouwens het kenmerk is van het ware recht.

Dat geldt zelfs voor de nieuwe grondrechten die de Grondwet invoerde, zoals het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Er is met kracht van argumenten verdedigd dat dit ook geldt op de werkplek. Weliswaar geldt daar niet ""my house is my castle' - historisch gezien een belangrijke bron van de privacy - maar de omstandigheid dat een groot deel van de burgers daar nog altijd een belangrijk deel van zijn levensvervulling heeft liggen, laat zich niet zomaar negeren. Vooral het terugdringen van ziekteverzuim lijkt echter steeds meer een "alibi' te vormen voor schending van deze grondwettelijk beschermde waarde, signaleert de Limburgse hoogleraar sociaal recht A. J. C. M. Geers. Zelfs de huiskamer is niet immuun voor controle.

Des te moeilijker ligt het met het betaald parkeren in de binnenstad, al spreekt de auteur, de Hoornse advocaat H. K. ter Brake, hier ook van een ""grondrecht' (zijn aanhalingstekens) op het stallen van een motorvoertuig. Het grondwettelijk aanknopingspunt is overigens prozascher: de bepaling die gemeenten de bevoegdheid geeft regelingen te treffen die hun eigen ""huishouding' aangaan. Zoals betaald parkeren, met een streepje onder betaald. Toch nam de schrijver het niet dat er voor zijn deur een parkeermeter kwam. Behalve advocaat is hij ook de auteur van een dik proefschrift over gemeentelijke verordeningen. Deze mogen, al staat het niet met zoveel woorden in de Grondwet, niet in strijd komen met een hogere regeling. Nu zegt ook de Wegenverkeerswet niets over het recht op parkeren, maar de Hoge Raad heeft meer dan tien jaar geleden uitgemaakt dat deze wet meebrengt dat een ieder in beginsel vrij is "normaal' aan het verkeer deel te nemen. Daarvan kan het "normaal' (lees: gratis) parkeren moeilijk categorisch worden uitgesloten, was de stelling waarmee Ter Brake zich op de bon liet slingeren om ""juridisch geschiedenis te schrijven'.

Lukte dat? Ter Brake vindt van wel, want de einduitspraak bevestigt dat een gemeente niet álle parkeerruimte mag confisqueren. Toch werd hij wel degelijk veroordeeld, zij het zonder oplegging van straf. De rechter stelde namelijk vast dat betaald parkeren in de binnenstad van Ter Brakes woonplaats niet zo ver gaat dat normaal weggebruik op ontoelaatbare wijze onmogelijk wordt gemaakt. Het is dan ook rijkelijk optimistisch dat Ter Brake besluit met: ""U woont in een buitenwijk en op een dag treft u voor uw woning een parkeermeter aan. U weet nu wat u te doen staat.' Die variant levert wellicht nog een nieuw proefprocesje op, maar het is aangeraden niet te rekenen op het uitblijven van straf - of wielklem.

De boodschap van deze vertelling is er intussen niet minder belangrijk om: een Grondwet leeft alleen wanneer de burgers zich er ook daadwerkelijk op beroepen. De burgerlijke vrijheden zijn onderhevig aan slijtage door gewenning en zij groeien door gebruik. Alleen daarom al is het goed dat in deze bundel ogenschijnlijk academische onderwerpen aan de orde komen als ""een SGP-burgemeester voor Amsterdam' of ""een koninklijke baaldag'. Het eerste betreft de bepaling dat alle Nederlanders op gelijke voet benoembaar zijn in de openbare dienst, hetgeen niet uitsluit dat de politieke gezindheid van een kandidaat een relevante belemmering oplevert voor de geschiktheid voor het burgemeestersambt in een bepaalde gemeente gezien de politieke samenstelling van de bevolking. Legitimeert dat echter ook de verkaveling van de grote steden over de drie grote partijen?

Het tweede verhaal knoopt aan bij de terugstap van twee dagen in 1990 door koning Boudewijn die het Belgische kabinet in staat stelde een abortuswet te bekrachtigen waartegen de vorst overwegende gewetensbezwaren had. Zoiets zou hier uitgesloten zijn, hebben het Nederlandse Kamerlid Wiebenga en minister Dales (grondwetszaken) gezegd. Maar T. Zwart van de Leidse universiteit, noemt in deze bundel de desbetreffende bepaling in onze Grondwet juist ""bijzonder geschikt' voor zo'n verzoeningsoplossing - indien zich een dergelijke crisis zou voordoen. Wie weet of een volgende regering hem daarvoor niet nog eens dankbaar zal zijn.

    • Frank Kuitenbrouwer