Een president moet zijn tijd niet vooruit willen zijn

De president van de VS is een brandpunt voor de successen en tegenslagen van zijn regering. Na een euforisch begin stuit Bill Clinton nu op de grenzen van zijn macht: zijn algemene boodschap van hervormingen strandt in geredekavel en een teveel aan onverkoopbare ideeën.

WASHINGTON, 11 JUNI. De energiebelasting sneuvelt, de studieleningen van de overheid worden vertraagd ingevoerd, van het banenplan blijft weinig over in het strijdgewoel van het Congres. Alles wat de Amerikaanse president Bill Clinton nog rest is toekijken. “Ik moet afwachten wat er uit de Commissie van Financiën komt”, zegt hij. “En ik ga ermee akkoord zolang ze zich zullen houden aan de principes die ik heb uitgestippeld”. Maar hoe die principes luiden, is niemand meer duidelijk. Wat er uit die commissie komt, zal waarschijnlijk een onherkenbare kluwen van concessies en compromissen zijn geworden. De linkervleugel van de Democratische partij in het Huis van Afgevaardigden heeft al gedreigd met afhaken. De kring van zwarte Congresleden heeft een afspraak met Clinton afgezegd.

De voormalige gouverneur van Arkansas, die als presidentskandidaat campagne voerde tegen "Washington' en de eeuwige “politieke verkeersopstopping” daar, moet het nu overlaten aan de professionals en het beste ervan hopen. De elf Democratische senatoren van de Commissie van Financiën onderhandelen nu met partijgenoten, lobbyisten en beleidsspecialisten.

Na een euforisch begin is Bill Clinton tegen de grenzen van zijn macht op gelopen. Ondanks zijn uitvoerige studie van het presidentschap voor zijn inauguratie moest hij het vak nog leren. Een Amerikaanse president heeft niet zoveel te vertellen, zeker niet in een tijd van zuinigheid. Een tweede volle zittingstermijn in het Witte Huis is nu eenmaal uitzonderlijk. Sinds 1928 hebben slechts drie presidenten minstens twee termijnen van vier jaar vol kunnen maken, Franklin Roosevelt, Dwight Eisenhower en Ronald Reagan. Geen van drieën had te maken met een krimpende begroting. Economische crises, oorlogen en misstappen hebben andere presidenten hun herverkiezing gekost. President Harry Truman, die gedurende zijn zittingsperiode veel werk heeft verzet, zei medelijdend, toen generaal Eisenhower president werd: “Arme Ike. Hij is gewend om bevelen te geven en ondergeschikten ze te laten uitvoeren. Maar een president zegt "doe dit' en er gebeurt niets.”

Politieke wetenschappers zijn het met Truman eens. In zijn indertijd door president Kennedy uitgespelde klassieker Presidential Power stelt Richard Neustadt vast dat “presidentiële zwakte het onderliggende thema is van presidentiële macht. Zwakte in de zin van een grote kloof tussen wat wordt verwacht van een man (of ooit een vrouw) en zijn capaciteit om het uit te voeren”.

De "personifiëring' van het beleid schept verwachtingen. Dat komt niet alleen omdat het gemakkelijker schrijven of praten is over personen dan over abstracte zaken, maar ook door het verkiezingssysteem zelf. De president wordt rechtstreeks gekozen en hij benoemt zijn kabinet van ministers die volledig van hem afhankelijk zijn. Amerikanen hebben het dan ook zelden over de verrichtingen "van de regering' of "van minister Lloyd Bentsen', maar alleen over die van president Bill Clinton. De persoon van de president fungeert als brandpunt voor blunders en successen, en ook voor alle min of meer toevallige gebeurtenissen, zoals de groei van het aantal banen of de toestand in voormalig Joegoslavië.

Hij leeft in een glazen huis, waar een bezoekje van Barbra Streisand als teken van wuftheid wordt uitgelegd. Alle kritiek die mogelijk is, zal ook worden geuit. Maar Clinton kan geen meter vangrails op een autobaan laten aanleggen zonder steun van meerderheden in beide huizen van het Congres. Bij de Senaat is er zelfs bijna tweederde meerderheid vereist door de mogelijkheid van procedurele obstructie met veertig van de honderd Senatoren. De 44 Republikeinen in de Senaat hebben dus meer invloed dan de Republikeinse minderheid in het Huis. Voorheen kon een president zich aan deze controle onttrekken door in de buitenlandse politiek actief te worden. Maar op het moment heeft het buitenland weinig aantrekkelijks te bieden.

Vooral als er bezuinigd en belast moet worden, roeren Senatoren zich om hun deelstaat of favoriete belangengroep te verdedigen. Nadat de Republikeinen in april door obstructie een bres hadden geslagen in het stimuleringsgedeelte van Clintons begrotingsplan, kalfde ook steun aan de rest af.

Clintons voorstel tot een energiebelasting werd onderuit gehaald door zijn eigen Democraten in de Senaat. De uit "oliestaten' afkomstige Senatoren David Boren en John Breaux zijn onder druk gezet door de oliemaatschappijen en hebben zich plotseling tegen energiebelasting gekeerd. Dat terwijl Boren in april nog niets dan lof had voor Clintons economische plan. Door de enorme druk van lobbyisten waren de meeste industrieën er al in geslaagd om uitzonderingen te bedingen, zodat alle lasten voor rekening van de consument kwamen.

Het alternatief van een energiebelasting, snijden in de voorzieningen van het ziekenfonds voor gepensioneerden, stuit op de machtige lobby van 65-plussers, die bijna allemaal stemmen. Een vorm van energiebelasting zal er waarschijnlijk toch komen zoals Clinton had voorzien, maar dan misschien niet gerekend naar het aantal gebruikte calorieën, maar naar soorten brandstof.

Clinton heeft aan overtuigingskracht ingeboet omdat hij na zijn verkiezingsoverwinning zijn algemene politieke thema is verloren. Een democratisch staatsman is volgens de overleden Britse columnist Walter Bagehot “een ongewone man met gewone ideeën”. “De president moet zijn tijd nooit vooruit zijn; hij bereikt de maximale eenheid door te streven naar doeleinden die zowel verwacht als gewenst worden”, schreef Harold Laski in zijn klassieke studie over het Amerikaanse presidentschap.

Tijdens zijn campagne had Clinton het fundament gelegd voor een coalitie, die conservatieve ideeën over eigen verantwoordelijkheid paart aan een overheid die liever investeert dan uitkeert. Na twaalf jaar aanbodeconomie waren de kiezers klaar tot offers om de economie op gang te helpen en de overheidsfinanciën weer in bedwang te krijgen. Hervorming van de gezondheidszorg was de tweede belangrijke wens. Maar na een welluidende presentatie van zijn begrotingsplan voor het Congres liet Clinton geen algemene boodschap meer horen, alleen beloftes tot meer overheidsingrijpen.

Bij zijn benoemingen vertrouwde Clinton sterk op oude, intellectuele vrienden met ongewone ideeën, zoals de briljante burgerrechtenadvokate Lani Guinier, die hij vorige week weer moest terugtrekken, omdat ze geen goede kans had in de Senaat. Hoewel hij slechts 43 procent van de stemmen had, benoemde hij niemand van de oppositiepartij in het kabinet, zoals Nixon na een dergelijke magere overwinning in 1968 had gedaan met de Democraten John Conally en Patrick Moynihan. Met de benoeming van communicator David Gergen in zijn staf heeft Clinton een eerste stap naar de Republikeinen gezet. Maar zijn staf bestaat nog grotendeels uit progressieven uit de linkervleugel van de Democratische partij. Tegenwoordig schrijft Clinton vaak geërgerd onder memo's “Waar is bubba?”, “Waar is de middenklasse?”.

Afgelopen zondag kreeg Clinton een boodschap van zuidelijke "bubba's' in de vorm van een overwinning met 67 procent van de stemmen door de Republikeinse senator Kay Hutchison. Volgens alle opiniepeilingen willen de meeste Amerikanen meer bezuinigingen, minder belastingverhogingen en minder overheidsinmenging. Clinton zal nu de draad van zijn oorspronkelijke begrotingsplan weer moeten oppakken om de mensen ervan te overtuigen dat het leed gelijkmatig is verdeeld.