De smaak van de tijd

De geheime eerzucht die aan sommige van deze stukjes ten grondslag ligt is dat ze over honderd jaar zullen worden gelezen door de historicus die onze tijd doet herleven. Die toekomstige onderzoeker zal het gemakkelijk hebben, denken we nu. Zo gek kunnen we het tegenwoordig niet bedenken of het wordt vastgelegd. Eén chip van nu bevat al meer gegevens dan de geschiedschrijver van het jaar 2093 in zijn hele loopbaan zal kunnen verstouwen. Alles staat op band en alle banden zijn geregistreerd. Maar is hij daardoor benijdenswaardig? Zijn probleem zal niet zozeer zijn de feiten op te sporen als wel zich tegen de stortvloed aan "relevant materiaal' te beschermen. Hij moet zich door de rijstebrijberg van registraties heen eten en dan komt hij aan de volgende rijstebrijberg van datgene wat in deze subcategorie van registratie ligt opgehoopt. De onderzoeker van straks zal de eerste zijn die een rijstebrijgebergte moet bedwingen.

Een tijd - wat is een "tijd'; hoe begrensd, hoe vloeiend? - is niet alleen herkenbaar aan zijn jaartallen, bloedbaden en grote daden. Iedere tijd heeft ook zijn eigen vluchtigheid, zijn smaak; en hoe leggen we die vast, hoe kunnen we de historicus van straks met de ongrijpbaarheid van onze dagen bedienen? Hoe smaakte een dag in het Twaalfjarig Bestand? Ik zou er een lief dingetje voor over hebben om dat te weten. Of een petit levé van Lodewijk de Veertiende, hoewel dat aroma geen pretje moet zijn geweest. Hoe dan ook, ik doe weer een poging tot handreiking naar de geschiedschrijver van 2093 waarbij ik zijn aandacht vestig op de tram, de rijdende smeltkroes waarin juist het tijdelijk verblijf ons in staat stelt tot allerlei waarnemingen en ervaringen die door een langduriger samenzijn verhinderd worden.

Lijn en halte doen er niet toe, het is de tram an sich. De halte nadat ik was ingestapt hoorde ik dat er iemand op de lege tweepersoonsbank achter me ging zitten, een onrustige man. Omdat ik mijn aandacht op het straatleven had gevestigd, had ik geen glimp van hem gezien maar nu hoorde ik hem des te beter. Hij maakte een reeks geluiden waarvoor geen lettercombinaties bestaan en die ik niet anders kan beschrijven dan als een "psychopatengiechel', een reeks keelklanken, een soort whoe-hoe-hoe-hoe, dat hij afwisselde met een tegen zichzelf gerichte alleenspraak. Whoe-hoe-hoehoe, ik ben geen junk, o nee, whoe-hoe-hoe-hoe. Enzovoorts. Hoe nieuwsgierig je ook bent, omkijken is af te raden. Ergens anders gaan zitten? Dat leek me een capitulatie, en dus bleef ik naar zijn geluiden luisteren, mij afvragend of, en zoja, waar het mes me zou treffen. Onwillekeurig spannen zich de rugspieren.

Maar ongeacht alle overwegingen kwam toch het ogenblik waarop ik besloot uit te stappen - of niet eens besloot: ik was uitgestapt voor ik had beseft dat ik het besluit had genomen. Het is een instinctieve reactie van lijfsbehoud. Nu ontdekte ik dat mijn whoe-hoe-hoe-man ook op de halte stond. Wat ik had gedacht: een lijkwitte skinhead, pukkels en schoenen die gemaakt zijn om tegen ribbekasten te trappen. Hij had het niet op mij voorzien, hij liep de andere kant op. Daar stond aan het abri een man de kaart van het openbaar vervoer te bestuderen. Terwijl de skinhead passeerde greep hij deze keurige meneer - jasje, das - bij het achterhoofd, beukte hem met het voorhoofd tegen het glas en liep door alsof hij niets bijzonders had gedaan; met zijn vingers had geknipt bijvoorbeeld. Het slachtoffer deed niets, wat natuurlijk het verstandigst was. Een tafereel van twee, drie seconden.

Een dag later, volle tram, halte Bijenkorf. In de linkerzak van mijn jasje had ik een forse sigarepeuk bewaard - het is wel een persoonlijke bijzonderheid maar die moet ik hier toch opschrijven - en ik verheugde me erop die in de buitenlucht weer aan te steken. Bij de uitgang moest ik flink dringen, stak ter bevestiging van mijn voorpret de hand al zoekend in mijn zijzak, maar daar zat al een hand in. Die hoorde bij een keurige jongeman, in een zomers gebloemd hemd. Afgedekt door zijn jasje hield hij zijn armen over elkaar en, zoals ik dus had gemerkt, had hij zodoende één hand in mijn zak laten rommelen. ""Sorry'', zei hij nadat we elkaar op die merkwaardige manier een hand hadden gegeven.

Ik keek verbaasd, althans, moet verbaasd hebben gekeken zoals ik later heb beseft. Wat moet je anders? Met geen mogelijkheid had ik woedend kunnen worden. In die zak had alleen mijn sigarepeuk gezeten. Gesteld dat hij die had gerold: misschien had ik me dan nog jaren later vaag afgevraagd hoe ik me zo had kunnen vergissen, dat ik toch zeker had geweten waar ik die peuk had bewaard, dat het tijd was geworden om aan mijn geheugen te twijfelen. Er zijn van die kleine raadsels die nog lang in het schemergebied van je hersens blijven rondspoken, en dat was dan een van de raadsels geweest.

Terwijl ik dit en nog meer vaags op het Damrak liep te overdenken werd ik aangehouden door iemand die eruit zag als een Marokkaan, een man van een jaar of vijftig. ""Mijnheer,'' zei hij. ""Ik heb gezien wat er gebeurd is. U had de bestuurder moeten waarschuwen. Dan had die alle deuren gesloten en dan was de dief gevangen. Denkt u alstublieft niet dat wij allen zo zijn.''

De deuren dicht? In een volle tram? Met dertig graden? Om iemand te vangen die zich meester zou hebben gemaakt van mijn sigarepeuk? Nee. Ik verzekerde mijn vriendelijke aanhouder dat ik nooit maar dan ook nooit alle mensen over één kam zou scheren. Met een handdruk namen we afscheid, overigens zonder dat er een Alle Menschen werden Brüder in mijn binnenste losbarstte.

De smaak van de tijd. Wat ik hier heb opgeschreven staat verder nergens geboekstaafd. Zullen ze er over honderd jaar iets aan hebben?

    • S. Montag