De les van Valjevo; Nederlandse arts Van Tienhoven symbool van een internationale gemeenschap die in 1914 nog aan de zijde van Servie stond

Toen de Nederlandse arts A. van Tienhoven in de oorlog van 1914 de Serviërs leerde liefhebben, was het stadje Valjevo vervuld van vertrouwen in de nieuwe tijd. Anno 1993 eert Valjevo de Nederlandse helper in de nood. Maar in de huidige oorlog lijkt niemand de Serviërs meer lief te hebben. De nieuwe tijd laat op zich wachten, wanhoop regeert. En Valjevo kwijnt weg. "De schuldigen worden nooit gestraft in de geschiedenis. Wij allen betalen, schuldig of niet. Kijk maar om je heen in Valjevo.'

"Het is een heel mooi stadje van acht tot tienduizend inwoners, in de bergen gelegen, een gezond klimaat, en vrij modern, electrisch verlicht; hoofdplaats van de provincie, met een prachtig gymnasium. De bevolking is er welgesteld. Meest rijke boeren die aan veeteelt doen en vooral ook de pruimencultuur.' Zo beschreef de Nederlandse arts dr. A. van Tienhoven zijn eerste indrukken van de Servische stad Valjevo, toen hij daar begin augustus 1914 arriveerde. Anno 1993 zijn die indrukken nog altijd geldig. In Servië zie je zelden zo'n welvarend plaatsje, zo proper, burgerlijk bijna - men waant zich, zoniet in West-Europa, toch zeker in Slovenië.

Van Tienhoven was geen onbekende in Servië, toen hij er bij de aanvang van de Eerste Wereldoorlog aankwam: in twee Balkan-oorlogen had de Nederlandse arts zich er verdienstelijk gemaakt als oorlogschirurg - het oplappen van gewonden en het amputeren van genfecteerde lichaamsdelen. Met een groep Nederlandse verpleegkundigen van beiderlei kunne had hij zich in 1914 weer vrijwillig op weg begeven. Het Oostenrijks-Hongaarse Rijk had het kleine Servië de oorlog verklaard. Zoals de meesten zijner Westeuropese tijdgenoten sympathiseerde Van Tienhoven eenduidig met de nieuwe Europese staat Servië. Nog maar net had het Servische volk zich met veel opstanden, oorlogen en doden ontworsteld aan de puinhopen van het Turkse rijk op de Balkan. En nu al probeerden Oostenrijk-Hongarije en Duitsland de Serviërs weer klein te krijgen.

Anno 1993 lijkt in de internationale publieke opinie de schurkenrol voor de Serviërs gereserveerd. Wie vandaag de dag Valjevo bezoekt, treft echter geenszins de bloeddorstige, met verve het mortier hanterende vechtersbazen uit de Bosnische oorlog aan, die Servië en de Serviërs dezer dagen zo'n slechte naam bezorgen. Op nauwelijks dertig kilometer afstand van het front ziet de hedendaagse bezoeker slechts eerzame burgers, trots op de stad waar extremismen traditioneel geen kans krijgen, wachtend op betere tijden. Die pruimenboeren zijn er nog steeds. In proper gesteven overhemden wandelen zij door de nieuwe voetgangerszones in het centrum, een enkeling met zo'n typisch Servisch petje op het hoofd. Die grauwgroene baretten zijn sinds een paar jaar weer in zwang - herinnering aan vrije mannen, die zich met de wapenen verzetten tegen het "Turkse juk'. Niet aan bloeddorstigheid.

Het gymnasium met zijn fraaie borstbeelden van Servische schrijvers en andere vrijheidshelden, is twee jaar geleden in oude pracht gerestaureerd, evenals het "Hotel Grand', waar Van Tienhoven comfortabel verbleef. Net als de geavanceerde elektrische straatverlichting van 1914, waren deze fraaie gebouwen een uitvloeisel van de stormachtige economische groei en ontwikkeling onder koning Petar I Karadjordjevic (1905 - 1912), de enige periode waarin het door de grootmachten in 1878 erkende Servië een echte democratie was. Valjevo, nu zo'n 70.000 inwoners groot, heeft zojuist weer zo'n dynamische periode achter de rug: de laatste jaren van het oude Joegoslavië, toen de communistische dictatuur verviel en de ontwikkeling naar een meer-partijenstelsel en markteconomie werd ingezet. Maar liefst vijfduizend particuliere bedrijven zijn er in die paar jaar in Valjevo gesticht. Toen de wet in 1990 daartoe de mogelijkheden opende, is in Valjevo ook de eerste van de anti-communistische partij opgericht - geen nationalistische, maar een liberale.

Gemeentebestuur en privé-winkelinitiatief hebben in de afgelopen jaren het oude stadscentrum (carsija) in een lustoord herschapen. ""De enige carsija in Servië, geheel in Balkan-stijl'', merkt een stadsbestuurder op, een beschaafde manier om aan te duiden dat er, anders dan elders in Servië, geen spoor van de invloed van oriëntaalse bouwstijlen is te ontdekken. Sinds de Turken in 1868 de sleutels van de stad aan de Servische bevrijders overhandigden, heeft Valjevo zich ontwikkeld tot misschien wel de meest Servische stad van Servië; 99,9 procent van de bevolking is Servisch. In Valjevo is bijvoorbeeld is geen parlementair decreet nodig om de bevolking te dwingen het cyrillische alfabet te gebruiken, dat in de ogen van de heersers van vandaag "servischer' is dan het steeds populairder geworden Latijnse alfabet. In Valjevo heeft nooit iemand een ander dan het cyrillische alfabet overwogen. Zelfs de communisten lieten zich er vroeger stiekem dopen en kerkelijk begraven.

Straaltje

Van Tienhoven was geen bevlogen idealist, laat staan een politicus of een propagandist van het Servische nationalisme. In zijn verslagen van de oorlog, verschijnend in de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad, wijdde hij op zakelijke toon vooral uit over de medische aspecten van zijn verblijf in Servië. ""Patiënten met borst- en met buikschoten die driemaal vierentwintig uur na de verwonding nog goed levend in een modern hospitaal neergelegd worden, komen er altijd door. Maar de meesten sterven op het slagveld. Doch daarom is het als dokter zoo'n voorrecht om eerste étappe te wezen, en zoo dicht mogelijk met je ambulance te staan bij het gevecht.''

Toen de NRC-vraaggesprekken in 1915 in boekvorm werden gepubliceerd en de aan Nederlandse kranten in deze wereldbrand wettelijk voorgeschreven neutraliteit minder knelde, kon Van Tienhoven echter niet nalaten te getuigen van zijn liefde voor Servië. “Serviërs zijn geen volk van wilden en moordenaars, zoals de Oostenrijkse pers het altijd tracht voor te stellen, maar een volk van eenvoudige landbouwers, dat niets liever wil dan met rust gelaten te worden. Een volk óók, met idealen, met de illusie, om nog eens het groote Servische rijk van de 14de eeuw te herstellen (..) dat onder tsaar Lazar in 1389 ten onder ging, toen zijn leger op het Mereldveld door sultan Soliman werd verslagen. In zijn oude volksgedichten bezingt Servië, meest op melankolieke wijze, zijn helden van weleer. Die liederen en melodieën, droomend van de bevrijding, zijn mooi en weemoedig gestemd. In de avond gezongen, bij de tonen van een eensnarig muziekinstrument, klinken ze door tot in de ziel.”

Zware belasting

In 1914 waren de mythe van de Servische strijdbaarheid tegen de Turken en de trotse vestiging van de onafhankelijke Servische staat het paspoort naar de Nieuwe tijd, van economische welvaart en democratie naar Europees model. Nu in 1993 even voorbij Valjevo Serviërs, Kroaten en moslims elkaar bij duizenden tegelijk afslachten, mede onder aanroeping van het welzijn van de Servische natie, zijn de meeste stedelingen die wij spreken eerder wanhopig gestemd. De nabije oorlog eist indirect zijn tol. Tienduizenden Servische vluchtelingen huizen in de stad, meest bij familie - een zware belasting van de onderlinge solidariteit nu het gemiddeld maandinkomen is gezonken tot onder de tegenwaarde van vijftig Duitse marken. De trots en waardigheid in Valjevo, die Van Tienhoven vermeldde, zorgen er nog steeds voor dat de vreemdeling nauwelijks geweeklaag hoort. Maar het volstrekte onbegrip dat men heeft voor de internationale sancties tegen het kleine Servië, dat wil men toch wel even kwijt. Treurig, dat ook de internationale zustergemeente Sittard de betrekkingen heeft bevroren.

Het ziekenhuis van Valjevo, waarin Van Tienhoven in 1914 chirurgische praktijk hield, huisvest thans het gemeentearchief. Ook al een progressief gebouw voor zijn tijd: alles gelijkvloers en granieten vloeren die de luizen geen kans gaven. Of men in het gemeentearchief wel eens van Van Tienhoven gehoord heeft? Wat een vraag. De Nederlandse arts is een van de helden uit de geschiedenis van de stad, vertelt de archivaris, ""een groot man van het Servische volk''. Niet alleen maar wegens zijn bijdrage aan de kennis van amputeren, vaccineren en ontsmetten in een land waar de moderne geneeskunde nog in wording was en de algemeen-hygiënische toestand precair. Ook omdat zijn aanwezigheid in Valjevo in 1914, samen met die van tientallen andere artsen uit Rusland, Zwitserland, Amerika en tal van andere landen, een teken was dat de jonge staat Servië overal vrienden had in de wereld.

De aanwezigheid van de internationale medische wereld in Valjevo in 1914 is zelfs een van de belangrijkste episodes geworden in de Servische nationale geschiedenis, sinds deze sinds een jaartje of vijf weer vrijelijk mag worden beschreven en aan de orde gesteld. De bejaarde schrijver Dobrica Cosic, deze week zojuist weggentrigeerd als president van Joegoslavië, spreekt uitvoerig over het "Valjevo-ziekenhuis' in zijn triologie Tijd van dood. Dat boek markeerde de opheffing van het taboe op de Servische nationale geschiedenis, die officieel in het verdomhoekje was geplaatst in 1918, bij de oprichting van met multinationale koninkrijk Joegoslavië, en daar pas nu, bij het verval van Joegoslavië, weer uit is gekomen.

Niet de verheerlijking van vrije markteconomie en democratie staan echter centraal in dit réveil van de Servische geschiedbeoefening, maar de glorificatie van het Servische lijden, dat in de rest van de wereld geen erkenning zou vinden. Geen opvoeding tot burgerzin of verlangen naar de moderne tijd ademt het hedendaagse Servische nationalisme, maar een tendens tot welhaast masochistisch chauvinisme.

Cosic' Tijd van dood ademt deze sfeer, en hetzelfde gold voor de tentoonstelling en het symposium die twee jaar geleden aan het "Valjevo-ziekenhuis' zijn gewijd. In het referaat van historicus Vladimir Stojanovic over "Arius van Tienhoven, Nederlands arts in Valjevo' is de zakelijke toon van Van Tienhovens eigen schrifturen verdwenen, om plaats te maken voor pathos. De Nederlandse arts wordt aangeroepen als getuige van het oneindige, welhaast metafysische lijden van het Servische volk - een lijden dat door een soort van mondiale samenzwering is en wordt verzwegen, om het Servische volk klein te houden. Heel wat Servische intellectuelen hebben zich de afgelopen jaren, in het voetspoor van Dobrica Cosic, tot deze merkwaardige cocktail van zelfmedelijden en trots laten verleiden. In zijn vulgaire vorm avond aan avond uitgedragen op de Servische staatstelevisie, zorgt de theorie van het verzwegen lijden ervoor dat veel Serviërs ongevoelig zijn voor kritiek uit de rest van de wereld. 't Is alles een nieuwe poging, neemt men aan, om Servië klein te houden.

Massagraf

Het lijden in 1914 was niettemin echt. "De Otterberg' (vidjak) heet een van de heuvels bij Valjevo. Vlakbij ligt de zigeunerbuurt; zelfs die maakt net als de rest van de stad een keurige, om niet te zeggen burgerlijke indruk: bloempotten voor het raam van keurige stenen huisjes, hier en daar een autootje voor de deur. Als er niet een groot stenen kruis was opgericht tussen de bomen, waaronder zich nu zigeunerfamilies ontspannen om bij te komen van de warme dag, zou je niet zeggen dat de Otterberg een gigantisch massagraf is. In 1914 wisten de Servische troepen de eerste aanval van het Oostenrijkse leger af te slaan, maar het leger kwam terug en bezette de stad. Nog voor het einde van het jaar waren het Servische leger en de buitenlandse artsen weer terug in het heroverde Valjevo. Het teruggeslagen Oostenrijkse leger had er een enorme chaos achtergelaten: overal rottende lijken en bovenal een ernstige vlektyfus-epidemie. Servische militairen, Oostenrijkse krijgsgevangenen, burgers en buitenlandse hulpverleners vielen eraan ten prooi.

Onder het gloedvol epos van het "Valjevo-hospitaal' wordt heden ten dage vooral de geschiedenis van deze epidemie verstaan, die volgens sommige berichten in de streek wel 30.000 doden zou hebben geëist. De meesten van hen zijn op de Otterberg in kuilen van 300 per stuk ter aarde besteld.

Van Tienhoven en zijn collega's - vooral de Schotse verpleegsters onder leiding van mrs. Hutchinson met hun tentenkamp in het centrum van de stad waren befaamd - zijn de epidemie te lijf gegaan met hun toenmalige inzichten inzake ontsmetting en hygiëne, terecht aannemend dat de door het Oostenrijkse leger aangevoerde luizenplaag de grootscheepse besmetting had veroorzaakt. ""Heel de stad was één groot hospitaal'', vertelt gynaecoloog Zoran Jokic, werkzaam in het huidige ziekenhuis van Valjevo en ook lid van een commissie van de plaatselijke afdeling van de Servische artsen-vereniging, die zich met de geschiedenis van de geneeskunde in Valjevo bezig houdt. In alle openbare gebouwen lagen aanvankelijk tyfus-lijders of oorlogsgewonden bijeen, want ook het gewone amputeerwerk moest zo goed en zo kwaad als het kon doorgaan.

Toch slaagde men erin om nog voor het einde van het jaar epidemie en luizenplaag te bedwingen. Valjevo, de Servische stad die behalve op een modern gymnasium en elektrische straatverlichting ook prat ging op het streven naar moderne, Europese hygiënische standaarden, was weer tyfus-vrij.

Van Tienhoven kreeg zelf ook koorts, maar overleefde. Toen begin 1915 de strijd tijdelijk luwde en er voor een chirurg niet zo veel meer te doen viel, keerde hij terug naar Nederland. Andere buitenlandse artsen betaalden echter met hun leven voor hun humanitaire inspanningen. Samuel Cook, politiearts uit New York, stierf enkele dagen nadat hij in Valjevo was aangekomen. Hij ligt op de Otterberg begraven, niet in een massagraf maar onder een steen, met een Engels-bedoeld opschrift: ""Greater love had no man, than this that a man lay down his life for his friend.'' ""Als Servië het land van de dood is'', schreef de beroemde Amerikaanse journalist John Reed begin 1915 vanaf deze heuvel, ""dan is Valjevo er de hoofdstad van.''

De oude foto toont een groep ernstig kijkende heren in plechtige pose. Voor hun voeten zestien, met touw aan elkaar gebonden lijken, allen Servische burgers die in augustus 1914, bij de eerste terugtocht van het Oostenrijkse leger in de buurt van Valjevo (er zouden voor 1918 nog twee veroveringen en heroveringen volgen) beestachtig waren vermoord. De hier afgebeelde internationale ""commissie ter onderzoek van gruwelen'' probeerde documentatie te vergaren over de door het Oostenrijkse leger bedreven wandaden tegen Servische burgerbevolking. Van Tienhoven was een der leden: op de foto houdt hij een opschrijfboekje tegen de borst geklemd. Links van hem de krijgsgevangen gemaakte majoor van het Oostenrijkse leger, Josef Balzarick, die door de dorpelingen voor de gruwelen verantwoordelijk werd gesteld. Even nadat deze foto was gemaakt, zou hij kans zien zich met cyaankali te vergiftigen.

De zestien lijken op de voorgrond zijn nog maar een voorproefje van wat de commissie die dag allemaal zou moeten aanzien en waarover de onderschriften bij andere, door Van Tienhoven persoonlijk gemaakte kiekjes duidelijke taal spreken: ""Man, oud 60 jaar, beide beenen gebroken en door 6 kogels doorboord, 2 bajonetsteken in de borst.'' ""Jong meisje, 19 jaar. Arm en been gebroken, hersens ingeslagen, men ziet de groote schedelwond. Als bewijs van overgave en onderwerping droeg ze om haar rechter arm een witte band.'' ""Oude vrouwen, ontkleed en na verkrachting gedood door steken met bajonet of sabel; afgesneden borsten.'' ""Groep van ongeveer 100 personen, die eerst als gijzelaars waren meegevoerd, maar omdat het te lastig was ze verder mee te nemen, op beestachtige wijze vermoord.''

De expeditie was succesvol: de aan deze wandaden gegeven publiciteit is niet zonder gevolgen gebleven, constateerde Van Tienhoven achteraf. ""Later heeft het Oostenrijksche legerbestuur wel zeer zware straffen over de schuldigen van deze misdaden uitgesproken.''

Afgrijzen

De mensheid lijkt er 79 jaar later niet erg op vooruitgegaan. Op dertig kilometer afstand van Valjevo vinden exact dezelfde misdaden tegen burgerbevolking plaats, soms wederom met Serviërs als slachtoffers, maar vaak ook met Serviërs in de rol van daders. De voor de hand liggende vraag hoe het mogelijk is, dat in naam van hetzelfde Servische volk waarvan Van Tienhoven de attracties en de vooruitgang zo mooi heeft beschreven, dit soort dingen plaatsvinden, doet nu iedere gespreksgenoot te Valjevo in somber wanhopen vervallen. ""Je schaamt je Serviër te zijn'', meent de jonge psychologe van een opleidingsinstituut voor hoogbegaafde scholieren. De internationale sancties, meent ze, versterken de collectivistische en oorlogszuchtige reflexen in een maatschappij die voor een groot deel geen idee heeft van de rechten van het individu, en maar al te ontvankelijk is voor demagogie.

Gynaecoloog Zoran Jokic is zich pijnlijk bewust dat de wereld die in 1914 kwam helpen, zich nu van Servië heeft afgekeerd. Geen buitenlandse dokter komt meer helpen, terwijl het niveau van gezondheid en hygiëne schrikbarend daalt. Nijpend is vooral het ontbreken van medicijnen tegen betaalbare prijzen. ""Suiker- en nierpatiënten die permanente voorziening met medicijnen nodig hebben, krijgen die onregelmatig, met voor de hand liggende gevolgen. Er zijn bij ons in het ziekenhuis al operaties voortijdig afgebroken, omdat anaesthesie ontbrak.'' De röntgenapparatuur in Valjevo is al maanden buiten werking, ironisch als je bedenkt dat Van Tienhoven daarover in volle oorlogstijd beschikte. Een chemokuur voor kankerpatiënten is alleen op de zwarte markt te koop voor 10.000 Duitse mark, maar weinigen kunnen dat opbrengen. Zelfs eenvoudige dingen als zeep ontbreken.

Sinisa Mitrovic, een jonge zakenman en lokaal politicus, ziet met afgrijzen aan hoe "primitief nationalisme' de sfeer in Servië, en het beeld van het land in het buitenland bepaalt. Toch gaat hij door met het ontwikkelen voor plannen voor ecologische en andere verbeteringen van het leven in Valjevo. ""Als de oorlog straks eens voorbij zal zijn, dan moeten we een structuur hebben voor een nieuwe toekomst.'' Inmiddels moet hij met lede ogen aanzien hoe alle jongeren met een beetje pit alles op alles zetten om Servië te verlaten, omdat zij de hoop op een betere toekomst in eigen land hebben opgegeven. De hoge verwachtingen van een nieuwe, betere tijd van twee jaar geleden lijken vervluchtigd. ""Zolang in dit land jongens zich kunnen herinneren wie hun vader vermoord heeft, zal er geen vrede zijn'', verzucht de jonge zakenman.

""Nog maar 189 jaar geleden prikten de Turken hier Servische jongens op staken, om ze als afschrikkend voorbeeld langs de weg drie dagen dood te laten gaan'', vertelt Slobodan Djukic, burgemeester tijdens de recente bloeiperiode van Valjevo. ""Ik bedoel dat niet pathetisch, maar van tijd tot tijd moet de wereld dat toch een beetje begrijpen. Dit is een oud Europees volk, dat Europa eeuwenlang tegen de islam verdedigd heeft.'' Voor de huidige oorlog heeft Djukic geen goed woord over. ""Het is een ordinaire machtsstrijd tussen communistische politici, dit heeft met de Servische natie helemaal niets te maken.''

Djukic is een der weinigen, die tegen de nieuwe oorlog in Joegoslavië iets heeft willen ondernemen. De extreem-nationalistische Servische politicus Vladislav Sesel betichtte hem in 1991 van "landverraad', omdat hij de dienstplichtigen uit Valjevo die aan het front bij de Kroatische stad Vukovar dienden, tot desertie zou hebben aangezet. Zo was het niet helemaal, vertelt Djukic. ""Als goed burgervader ben ik gaan kijken in Sid (de garnizoenplaats voor het front bij Vukovar, red.). Onze reservisten waren daarheen onverwacht afgevoerd, nadat ze zogenaamd voor een eendaagse herhalingsoefening waren opgeroepen. Niemand had al in weken meer iets van ze gehoord. De chaos in Sid was onbeschrijfelijk. Sommige van onze jongens waren zelfs bij vergissing door eigen vliegtuigen gebombardeerd: 29 doden. Toen ik vroeg waar hun verantwoordelijke officieren waren, kreeg ik te horen dat die met ziekteverlof naar huis waren gestuurd. In drie autobussen zijn ze toen naar Valjevo terug gegaan, en niemand heeft ze meer lastig gevallen.''

Met landverraad had dat in zijn ogen niets te maken, omdat de oorlog niets met vaderlandsliefde te maken heeft, meent Djukic. De suggestie dat de schuldigen ooit kunnen worden gestraft, doet hem treurig glimlachen. ""De schuldigen worden nooit gestraft in de geschiedenis. Wij allen betalen, schuldig of niet, kijk maar om je heen in Valjevo.''

Tragisch epos

Bij zoveel wanhoop lijkt alleen ironie nog te helpen. Dejan Mijac, een van Valjevo's bekendste zonen, zette als regisseur van het "Joegoslavische Drama Theater' in Belgrado, in 1987 Valjevo-ziekenhuis in scène, vrij naar Dobrica Cosic. De bejaarde schrijver zelf verliet geschokt het theater toen hij had gezien wat er van zijn tragisch epos over de Eerste Wereldoorlog, die aan een derde van alle Serviërs het leven kostte, op de planken was geworden. ""Een fresco van Servische mythomanie'', zegt Mijac. Zijn Valjevo-ziekenhuis was een reeks koortsige mono- en dialogen van slachtoffers aan de tyfus in 1914. Daaronder een jonge dokter, die niet wil geloven dat de fatale ziekte door luizen wordt overgebracht. Hij laat zich daarom willens en wetens door een luis bijten, wordt prompt ziek en sterft, na met andere zieken ijlend de Servische geschiedenis te hebben behandeld.

""Ik had, toen in 1987 het fabuleren over onze nationale geschiedenis een aanvang nam, al de indruk dat het slecht zou aflopen. De luis leeft nog, hij heeft zich lang verstopt maar hij leeft nog, en hij is teruggekomen en brengt de dood. Deze oorlog van nu is niet in het Servische belang, dit zijn andere spelletjes die tragische dimensies aannemen, waarbij onze regering van communisten met de nationale parolen van vroeger op de loop is gegaan. Ik ben daar droevig over, over deze oorlog. Droefheid is een mooi gevoel, want als ik niet droevig ben, dan ben ik wanhopig.''