Constructies om de bezoeker tuin van De Pont in te lokken

De tuin van Jeroen Doorenweerd. De Pont, Stichting voor Hedendaagse Kunst, Tilburg. T/m 31 oktober. Geopend di - zo 11-17 uur.

De Pont, de Stichting voor Hedendaagse kunst in Tilburg die eerder dit jaar haar deuren opende, heeft zich voorgenomen om iedere zomer een beeldend kunstenaar te vragen de tuin vorm te geven. "Tuin' is wel een groot woord voor dit min of meer driehoekige stuk grond bij de voormalige wolfabriek waar De Pont in is gehuisvest. Hij omvat niet meer dan veel gladgeschoren gazon (zoiets noem je geen gras) en een klein rijtje bomen, dit alles van de buitenwereld afgebakend door een bakstenen muur. Er is dus alle reden om iemand te vragen de lap grond te verlevendigen.

De eerste is Jeroen Doorenweerd (Terneuzen, 1962). Hij ontwierp een drietal houten constructies die hij verspreid opstelde en die hij omschrijft als "waarnemingsplaatsen'. Tevens trok hij een diagonale as dwars door de tuin en zaaide de rechterzijde daarvan in met een mengsel van hoog gras en wilde bloemen. Het resultaat van deze ingreep zal, als alles meewerkt, over een maand te zien zijn.

Doorenweerd wil de bezoeker ertoe te verleiden de tuin te verkennen, opdat hij zich bewust zal worden van de dimensies ervan. Hiertoe bouwde hij een steiger, een uitkijktoren en een soort zomerhuisje, die onmiddellijk uitnodigen tot betreden. De hoge T-vormige steiger is toegankelijk via een schuine loopplank (de poot van de T). Het huisje is verzonken in de grond zodat men van daaruit het gazon op schouderhoogte kan inspecteren. En vanaf de uitkijktoren kan men, zoals je van een uitkijktoren mag verwachten, de tuin overzien alsmede datgene wat achter de muur ligt.

Al deze constructies zijn met de hand vervaardigd uit ongeverfd hout. Ze ogen ambachtelijk, koel en zakelijk. Het is een esthetiek van eenvoud en functionaliteit die sterk aan Rietveld doet denekn. Maar met die functionaliteit is iets vreemds aan de hand - óók een overeenkomst met Rietveld trouwens. De zitbank in het zomerhuisje is te hoog, zodat de voeten enkele decimeters boven de grond bengelen. De traptreden van de toren zijn ook te hoog, wat veroordeelt tot moeizaam beklimmen. En de steiger is niet aangelegd omdat er water is, maar een waterbassin werd aangelegd om de steiger reliëf te geven, er is dus veel meer water dan steiger.

De verhoudingen van Doorenweerds architectuur blijken te zijn bepaald door de hoogte van de fabrieksgevel die aan één zijde de tuin begrenst. Alles is hiervan afgeleid: de hoogte van het huisje is de helft van de hoogte van de gevel, de diepte van de verzinking in de bodem is daarvan weer de helft, evenals de hoogte van de steiger enzovoort. Er is kortom zeer consequent een module toegepast. Toch heeft dit geen effect van evenwicht, omdat de module niet harmonieert met de menselijke maat. Het oog herleidt die module dan ook niet van de gevel. Het verband is oneigenlijk en nutteloos. Ik vraag mij naar aanleiding hiervan af of een module überhaupt wel waarneembaar is wanneer die niet gerelateerd is aan de menselijke maat en aan het menselijk functioneren.

Doorenweerd is er dus alleszins in geslaagd om het publiek de weinig uitnodigende tuin in te lokken. Maar zijn constructies heeft hij te veel op de tekentafel ontworpen. Het is hem te doen om het stimuleren van sensaties en van de waarneming, zonder dat hij rekening hield met met de waarneming. Het project is teveel idee, te bedacht, en te weinig opgezet vanuit de ervaring van de plek. Om diezelfde reden is zijn diagonale as ook niet als zodanig herkenbaar. Misschien verandert dat wanneer de wilde grassen in bloei staan.