Bij het CDA is geen plaats voor hindoes, wel voor islamieten

AMSTERDAM, 12 juni. “Hindoes en aanhangers van andere Aziatische godsdiensten horen niet in het CDA. Die passen er niet in”. Dat zei plaatsvervangend directeur, drs. C.J. Klop van het Wetenschappelijk bureau van het CDA gisteren op een studiedag van Amsterdamse politicologen en sociologen over normvervaging en -verandering.

Volgens Klop is er voor islamieten wel plaats in zijn partij en was dat voor joden bij de KVP, de ARP en de CHU allang het geval. De reden dat hindoes naar zijn mening buiten het CDA moeten blijven is dat zij geen duidelijke voorstanders zijn van de scheiding van kerk (tempel) en staat als ook dat zij weinig van het bijzonder onderwijs willen weten.

Op de studiedag in de Oudemanhuispoort van de Universiteit van Amsterdam ging Klop in discussie met het Eerste Kamerlid prof. J.F. Glastra van Loon (D66), die ook voorzitter is van het Humanistisch Verbond. Volgens Glastra van Loon leidt een christelijk moraal niet automatisch tot keuze voor het CDA. “Men kan daar nog alle politieke kanten mee uit, behalve dan die van de Centrum-Democraten”. Klop bestreed dit niet, maar meende wel dat het overgrote deel van de Nederlandse christenheid bij verkiezingen op het CDA stemt. Ook zei hij dat het CDA niet van een "kerkelijke', maar van een "christelijke moraal' uitgaat, zij het dat die niet eenduidig is en dat van "de' christelijke moraal niet gesproken kan worden.

Moraal is niet noodzakelijk, gaf de Amsterdamse vrijdenker Willem de Ridder voor zijn workshop te kennen. Zijn stelling luidt: morele normen zijn alleen nodig als je jezelf niet vertrouwt. Hoe het er verder met de Nederlandse moraal en het normbesef voorstaat werd onder meer door de cultureel antropoloog M. Lijeten besproken. Deze wees op de grote veranderingen in consumentengedrag en "lifestyle' sinds 1960, het begin van de welvaartsontwikkeling, het pilgebruik, de leerplichtverlenging en de ingrijpende gevolgen daarvan: halvering van de gezinsgrootte, verdubbeling van het gemiddeld netto-inkomen en verzesvoudiging van het aantal echtscheidingen in 10 tot 15 jaar. Met als volgens hem belangrijkste consequentie dat men - omdat allerlei oude, veilige structuren wegvielen - zijn geluk en beschutting ging zoeken in het zich omringen met luxe-goederen.

De Amsterdamse socioloog L. Brunt dook vervolgens in het begrip "kleine criminaliteit' en meende de grote omvang daarvan te moeten verklaren uit het feit dat de Nederlandse regelgeving te ingewikkeld is geworden. Bovendien zou het wegvallen van de sociale controle er flink aan hebben bijgedragen dat de kleine criminaliteit zo groot is geworden. Van het idee dat Nederlanders allemaal "calculerende burgers' zijn geworden en voortdurend onderzoeken hoe zij regels kunnen ontduiken, wilde Brunt niet weten. Volgens hem heeft men daar niet genoeg know-how voor, is men niet zo erg inventief maar is er wel sprake van "gokkende burgers', die niet weten hoever ze kunnen gaan.

De politicologe mr. I.C. van der Vlies sprak vooral over "normversplintering' waardoor er voortdurend discussie over de normen is. Weliswaar hebben allerlei groepen eigen normen en maatstaven ontwikkeld, maar volgens Van der Vlies betekent dat niet dat er normloosheid is. Wel dat velen zich niet meer kunnen identificeren met normen van vroeger, godsdienstige die deels door de staat zijn opgelegd. Nu er geen eenvormig waardensysteem meer is moet de staat volgens Van der Vlies er van afzien in wetten nog normen te dicteren die een ethische of religieuze waarde hebben of een beroep op de moraal te doen. Vooral ook omdat de staat zelf ook geen brandschoon ethisch leven leidt. Dus zou hij (de staat) er ook mee moeten ophouden zich via wetgeving met de privé-moraal te bemoeien en mensen tot een monogaam huwelijk te verplichten. De staat zo ver terugdringen, dat ging prof. Brunt kennelijk te ver. De staat “moet zedenmeester blijven”, gaf hij openlijk toe.

    • Frits Groeneveld