Alles overspoelende cyclus Henri Pousseur bij Radio Kamerorkest

Concert: Radio Kamerorkest, Groot Omroepkoor en Capella Amsterdam o.l.v. Pierre Bartholomée en Daniël Reuss, met Marianne Pousseur (sopraan), Peter Harvey (bariton) en anderen. Programma: werken van Bartholomée, De Leeuw en Pousseur. Gehoord 11/6, Beurs van Berlage Amsterdam.

Anton Webern is een baken voor Henri Pousseur. Als een vuurtoren verlicht zijn muziek met zekere regelmaat Pousseurs partituren. In de opera Votre Faust bestudeert de hoofdfiguur Weberns Tweede Cantate opus 31. En ook in Pousseurs Dichterliebesreigentraum dat vrijdagavond in de Beurs van Berlage zijn wereldpremière beleefde, schijnen de harmonieën van Webern.

Het stuk is een surrealistische alles overstelpende klankstroom van 65 minuten, gebaseerd op Schumanns Dichterliebe. Zoals Pousseur zichzelf in Votre Faust citeert, zo combineert hij in Dichterliebesreigentraum zijn eigen Mnemosine. Ook Berio's Sinfonia geeft acte de présence, aan het slot van het dertiende lied, handelend over de dood (ich hab' im Traum geweinet, Mir träumte du legest im Grab), waar de pianopartij geheel losstaat van de zang, de leegheid van de kosmos uittekenend.

De cyclus naar Heine (een keuze uit 65 gedichten, door Schumann in een andere volgorde geplaatst en zelfs herschreven) verloopt, geheel autobiografisch voor Heine, steeds tragischer. Als bij Kagel, die zich eveneens graag op Schumannbaseert, zijn er diverse lagen te onderscheiden: een muzikale streng gestructureerde laag uitgaande van het getal 16 (een 16 toonsreeks, 16 transposities, 16 permutaties, 16 delen, 16 elementen), een dichterlijke laag, (in de wereld van Heine genjecteerd met het werk van andere dichters) en een biografische (fragmenten uit de brieven van Clara en Robert).

De muziek was er eerst, het libretto ontstond merkwaardigerwijze later. De manier waarop aan het slot van elk deel Schumanns lied verkort en getransformeerd verschijnt, blijft herkenbaar, ondanks de snelle harmonische wisselingen. In het meest orkestrale slotdeel is er nauwelijks sprake van een 'verwrongen' naspel.

Als Pousseur in het elfde deel (een ironisch kwasi-studentenlied) scherpere accenten plaatst in kleuren van piccolo en tuba, vindt ik hem minder sterk dan Kagel, die in dit soort van decompositie veel cynischer staketsels aan de orde weet te stellen. Pousseurs Schumannreflectie is verre van wrang en scherp, overstelpend allesoverspoelend, soms hallucinerend, zoals in het veertiende lied voor bariton en koor.

Voor alles is Pousseurs muziek als een süsse Wunde op te vatten, een bebende Stunde. Als in een droom keren de melodieflarden terug, maar steeds veranderd, en ook dat verwijst naar Pousseurs grote voorbeeld Webern. Het belangrijkste kenmerk voor zijn muziek is immers dat elk moment telt, zonder hoofd- of bijzaken. Schumann schreef: 'Ik zou, als de nachtegaal, tot stervens toe willen zingen', en dat zou het motto kunnen zijn voor Pousseurs liederenconcerto. Er zijn geen pauzes. Dat is een moedig uitgangspunt in zijn uiterste consequentie, maar het heeft ook zwakke kanten. Wanneer de zestien secties strenger zouden zijn afgebakend, zou je de diverse inkleuringen (in deel 1 zijn twee piano's prominent, in deel 2 sopraansolo en koor, in deel 3 alleen het koor enz.) beter kunnen volgen. Nu heeft het werk iets oeverloos.

Op de uitvoering viel weinig af te dingen. Ondanks de enorme complexiteit met combinaties van zang en spreekstem, hoofd- en schaduwinstrumenten, ontstond een redelijk gedifferentieerd klankbeeld. Ook de werken van de dirigent zelf en Ton de Leeuw (Cinq Hymnes) kregen overtuigend gestalte.

    • Ernst Vermeulen