Adoptie

Het lucht op dat jaren oude zorgen en verdriet rond adoptiekinderen het daglicht mogen zien. Er is wat meer maatschappelijke ruimte voor gekomen, zo blijkt ook in het Zaterdags Bijvoegsel van 5 juni.

Het wordt als een verworvenheid beschouwd dat een aspirant-adoptie-echtpaar tegenwoordig verplicht is een voorlichtingscursus te volgen. De cursus kan aanleiding zijn om het besluit een kind te adopteren te heroverwegen. Soms trekt men zich dan terug, maar in de meeste gevallen neemt men toch het risico. Dat risico is niet gering. Het blijkt dat na verloop van tijd 6 procent van de adoptiekinderen niet in het gezin kan blijven. Uit ander onderzoek bleek, aldus het artikel, dat bij bijna een kwart van de geadopteerde jongens en bij 14 procent van de meisjes in de gezinnen jarenlang wordt geworsteld met opvoedings- en relatieproblemen.

Nu wordt ervoor gepleit de problemen niet af te wachten, maar onmiddelijk na de aankomst van het kind voor begeleiding van het adoptiegezin te zorgen. Deze plannen hebben iets weg van de inrichting van een EHBO-post bij een gevaarlijk kruispunt waarvan de reconstructie maar niet tot stand wil komen, terwijl daar regelmatig ernstige ongelukken gebeuren.

Men lijkt zowel bij de zorg vooraf als bij de nazorg om de belangrijkste vraag heen te lopen. De vraag die vandaag in het adoptiebeleid centraal behoort te staan is of bij een dermate groot mislukkingspercentage het licht niet op rood moet worden gezet. Nu blijkt dat zoveel adoptiekinderen niet in staat zijn tot hechting, terwijl die zo'n belangrijke voorwaarde is voor integratie in het gezin, is een grondige bijstelling van het beleid noodzakelijk.

Hoewel vele ouders zich daadwerkelijk aangesproken voelen door de aangrijpende schreeuw om hulp van kinderen en hoewel de wens om kinderen te hebben als een dwingend maatschappelijk gegeven kan worden gezien, zal een beleid moeten worden gevoerd waarin we ons meer zullen moeten inspannen voor andere vormen van georganiseerde hulp aan kinderen.

    • Coby Grasvelt