ADAM CLAYTON POWELL, JR.; Een witte negerdominee die van het goede leven hield

King of the Cats. The Life and Times of Adam Clayton Powell, Jr. door Will Haygood 476 blz., gell., Houghton Mifflin 1993, f 55,90 ISBN 0 395 44094 7

Adam Clayton Powell, Jr. The Political Biography of an American Dilemma door Charles V. Hamilton 545 blz., gell., Atheneum 1991, f 55,90 ISBN 0 689 12062 1

In 1972 overleed in Amerika de radicale zwarte dominee Adam Clayton Powell, Jr. In een redactioneel commentaar vergeleek The New York Times hem met dominee Martin Luther King Jr, en wel in ongunstige zin. De laatste was een inspirerende leider geweest die de Amerikaanse traditie met luister en glorie had gelardeerd, terwijl Powell diep was gezonken in een poel van cynisme en libidineuze zelfzucht en geen blijvende erfenis zou nalaten. Powells leven was op zijn best een aaneenschakeling van schandalen geweest, zo luidde het meedogenloze oordeel. Later kwam er voor King een nationale gedenkdag, voor Powell dus niet. Noch kreeg zijn naam ooit de magische klank als die van Malcolm X.

Toch is Powell nog lang niet vergeten, gezien de twee volumineuze biografieën die de afgelopen tijd kort na elkaar verschenen. Eind 1991 was dat Adam Clayton Powell, Jr. The Political Biography of an American Dilemma van de zwarte politicoloog Charles V. Hamilton die als hoogleraar verbonden is aan de gerenommeerde Columbia University in New York. En nu is er King of the Cats. The Life and Times of Adam Clayton Powell, Jr. door de vooraanstaande zwarte publicist Will Haygood die lange tijd als correspondent werkzaam was voor de Boston Globe. Beide boeken zijn gefundeerd op interviews en grondig archiefonderzoek, en ze laten zich lezen als spannende romans. Het zijn, kortom, weer de gebruikelijke intellectuele kwaliteitsprodukten zoals die in de Verenigde Staten aan de lopende band verschijnen.

Adam Clayton Powell Jr. werd in 1908 geboren. Zijn vader was dominee van de Abessijnse Doopsgezinde Kerk in Harlem, die toentertijd de grootste zwarte kerkgemeente in Amerika was. Bij zowel zijn moeder als zijn vader stroomde echter zoveel slavenhoudersbloed door de aderen, dat Powell Jr. de biologische verschijningsvorm had van een blanke, en later met de imponerende lengte van ruim een meter negentig nog het meest weg had van een Italiaanse basketballer. Aanvankelijk lukte het hem dan ook zich als blanke uit te geven en zo een plaats te verwerven aan de exclusieve particuliere Colgate University. Pas bij een routine-onderzoek naar zijn familie-achtergrond werd hij als neger "ontmaskerd'.

Tijdens zijn studie theologie hadden vooral drank, showgirls en luxe vakanties Powells aandacht. Hoewel Harlem genadeloos werd getroffen door de economische crisis van de jaren dertig, wisten de parochianen toch nog voldoende geld bij elkaar te schrapen om de lange overzeese reizen van de zoon van de dominee te financieren, zo merkt Haygood schamper op.

FURORE

Op negenentwintigjarige leeftijd volgde Powell Jr. zijn vader op. Zijn reputatie was toen al deels dramatisch ten goede gekeerd. De jonge dominee had in Harlem al grote furore gemaakt als strijder tegen de discriminatie van zwarten. Onder het motto ""koop niet waar je geen baan krijgt'' had hij koopstakingen en zelfs een massale bus-boycot georganiseerd. Powells ster rees zo snel dat hij in 1941 als eerste zwarte in de gemeenteraad van New York doordrong. Drie jaar later werd hij in het kiesdistrict Harlem gekozen voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden.

Eenmaal in Washington vertegenwoordigde Powell niet alleen Harlem, maar wierp hij zich op als spreekbuis voor geheel zwart Amerika. Zonder ontzag vergeleek hij de racistische zuidelijke Democraten uit zijn eigen partij met Hitler en Stalin. Trumans vrouw noemde hij de ""last lady'' omdat zij in tegenstelling tot Eleonor Roosevelt niet de theaters meed waar het voor zwarten verboden was om op te treden. Truman achtte zijn Bess hierdoor zo geschoffeerd dat hij Powell nooit op het Witte Huis zou uitnodigen.

In deze jaren werd het Congres door het hechte blok van zuidelijke Democraten nog stevig in de wurggreep gehouden, en hier viel er op het gebied van anti-segregatiewetgeving natuurlijk niets voor elkaar te krijgen, zo beklemtonen zowel Hamilton als Haygood. Ter vergelding lanceerde Powell een hoogst controversieel wapen met de legislatieve vernietigingskracht van een veto, het zogenaamde 'Powell Amendement'. Het behelsde niet meer dan een simpele anti-discriminatie clausule van een paar regels, maar het maakte elk nieuw wetsvoorstel onmiddellijk morsdood. Tot gekmakende ergernis van zijn meer verlichte niet-zuidelijke collega's, blokkeerde hij op die manier jarenlang alle nieuwe federale overheidssubsidies aan het onderwijs. Beter een lege dop dan een half ei, zo was Powells tactische redenering.

Bij de immens populaire president Eisenhower vermeed Powell de fout die hij eerder bij Truman gemaakt had. Met als leidraad ""prijs de koning, maar bestrijd zijn dienaren'', beschuldigde hij menig minister ervan Eisenhowers anti-segregatiebeleid te saboteren. Natuurlijk wist, aldus Haygood in zijn King of the Cats, iedereen in de Verenigde Staten dat Eisenhower in werkelijkheid nauwelijks iets van een anti-segregatiebeleid had. Dat weerhield Powell er echter niet van om hem tot op het absurde af te roemen ""voor zijn schitterende staat van dienst inzake de burgerrechten''. In 1956 zou hij zelfs zijn eigen Democratische partijbonzen trotseren om voor Ike's herverkiezing campagne te voeren. Volgens Haygood mocht Powell voor de geboden dienst een handig bedrag aan dollars incasseren uit de Republikeinse campagne-kas.

BOMBARIE

Zeer uitvoerig berichten zowel Hamilton als Haygood in hun biografieen over Powells opmerkelijk manoeuvre om in 1955 totaal op eigen initiatief af te reizen naar de in Indonesië gehouden Bandoeng Conferentie van gedekoloniseerde landen. Met veel bombarie belegde hij aldaar een persconferentie om tot verbazing van de hele wereld te verklaren dat het racisme in de Verenigde Staten op zijn laatste benen liep. Bij thuiskomst leverde hem dat een staande ovatie in het congres op, waar zijn optreden geprezen werd als ""de eerste wereldwijde morele nederlaag van de communistische propaganda-machine''.

Toen niet lang daarna in het diepe zuiden de situatie danig uit de hand liep, zou Powell dan toch uiteindelijk Eisenhower vierkant afvallen en hem zelfs openlijk uitmaken voor een laffe ""Pilatus die zijn handen in onschuld waste''. De tijden werden radicaler en Powell ook. De zwarte burgerrechten-leiders begon hij te verslijten voor ""Uncle Toms die louter dansten naar de pijpen van blanke filantropen''. Een keer zelfs poogde hij King te chanteren met de bedreiging hem te betichten van een homoseksuele relatie met een van zijn eigen medewerkers, zo vermelden Hamilton en Haygood allebei. Malcolm X daarentegen nodigde hij uit om in zijn eigen kerk te komen preken.

In het midden van de jaren zestig werd Powell plotseling na president Johnson de machtigste politicus in Washington, zo stelt Haygood zonder veel overdrijving. Overigens puur op grond van anciëniteit was Powell voorzitter geworden van de belangrijke Commissie voor Arbeid en Onderwijs in het Huis van Afgevaardigden. Zijn commissie werd verantwoordelijk voor bijna alle sociale wetgeving van Johnsons ambitieuze "Great Society'-programma. Bovendien werden in Powells commissie de talloze miljarden welzijnsdollars verdeeld die in het kader van de "War on Poverty' te vergeven waren.

PLAYBOY-BUNNIES

Het was echter precies in deze tijd dat de schandalen hem begonnen op te breken. Powell werkte zich op tamelijk luidruchtige wijze door drie huwelijken heen. In zijn dure Europese maatpakken was hij niet alleen een opvallende verschijning in het congres, maar ook in nogal dubieuze clubs. Zijn secretariële staf bestond voornamelijk uit ex-Playboy-bunnies met aan het hoofd de eerste zwarte Miss Universe. Met haar dook hij maanden onvindbaar in een vissershut op het exotische preteiland Bimini op de Bahama's. Zogenaamd op werkreis en dus naar hartelust declarerend, togen zij beiden ook voor drie maanden naar Europa om daar tot hilarisch vermaak van de Amerikaanse pers alleen de duurste nachtclubs te bezoeken.

Ondertussen kon Powell zich jarenlang niet meer vertonen in zijn eigen kiesdistrict vanwege een arrestatiebevel voor rechtsverzuim in een proces waarin hij vervolgd werd vanwege smaad. Tevens was hij al vanaf het begin van zijn loopbaan voortdurend verwikkeld in processen voor belastingontduiking en financiële malversaties. Onder meer kwam aan het licht dat hij zijn laatste "ex' waarvan hij nooit officieel gescheiden was, op de loonlijst van zijn staf had gezet, zonder dat zij iets deed of ook maar een cent ontving.

Bovenal werd Powell ervan verdacht "anti-poverty'-gelden te benutten voor de opbouw van een eigen patronage-systeem in zijn kiesdistrict. Alles bij elkaar was het voor zijn collega's voldoende reden om hem zijn zetel in het congres te ontnemen. ""Puur racisme'' en ""meten met twee maten'' zo verweerde Powell zich. Hij ging in beroep bij het hooggerechtshof en kreeg zijn zetel terug, maar niet zijn voorzitterschap van zijn commissie. Powell zou zich daarna nog maar zelden in Washington laten zien. Terwijl zijn haar in zijn nek begon te hangen en met het van keizer Haile Selassie gekregen Gouden Kruis van verdienste altijd prominent op zijn borst, trok hij kris kras door het hele land om met geheven Black Power-vuist de zwarte revolutie te prediken. Een nieuwe generatie zwarten was opgestaan en Powell poogde zichzelf naarstig op te werpen als de koning daarvan, aldus Haygood. Zijn eigen parochianen joeg hij inmiddels echter de stuipen op het lijf door zich op zijn preekstoel te laten omringen door een in gevechtstenue gehulde lijfwacht, bewapend met kapmessen. Was zijn herverkiezing voor het congres tot dan toe altijd louter een formaliteit geweest, in 1970 werd hij dan toch verslagen, zij het nipt. Zijn nederlaag werd, zo meldt Haygood, in het dikke FBI-dossier dat over hem was aangelegd, becommentarieerd met ""Good riddance of bad rubbish''. Met het verlies van zijn macht was het ook afgelopen met zijn populariteit. Powell stierf eenzaam in 1972.

PIKANTE DETAILS

Onvermijdelijk vertonen Hamiltons Adam Clayton Powell, Jr. en Haygoods King of the Cats grote inhoudelijke overlappingen. Beide auteurs zijn het ook eens over de grote betekenis die Powell had voor de zwarte emancipatiestrijd, en dat vooral in zijn beginjaren in Washington toen hij namens ""zijn volk'' het daar in zijn eentje opnam tegen heel blank Amerika. Niettemin meten zij Powells zwakheden en zijn politiek gedraai breed en smakelijk uit, waarbij Haygood het meest oog heeft voor pikante details.

Meesterlijk beschrijft hij hoe zijn "ex-en' zich elkaar om zijn lijkkist verdrongen, terwijl daarbij het gerucht ging dat de Black Panthers (zelf had hij ze "the cats' genoemd) zijn lichaam wilden kapen. Verder vermeldt Haygood dat het de bedoeling was dat Powells as boven Bimini zou worden uitgestrooid, maar door een onhandigheid van zijn oudste zoon werd de as regelrecht het vliegtuig ingeblazen. Aan moralistisch gelamenteer maakt Haygood zich niet schuldig en hij waagt zich ook niet aan een cultuurhistorische duiding van het verschijnsel Powell. Anders is dat met Hamilton. Die betoogt dat Powell weliswaar geen schevere schaats reed dan de meeste van zijn collega's in het congres, maar toch in zijn bijzondere positie beter had moeten oppassen. Zijn politieke val had hij dan ook voornamelijk aan zichzelf te wijten.

Powells leven vol tegenstrijdigheden was eigenlijk, zo besluit Hamilton zijn boek filosofisch, een zuivere afspiegeling van wat de bekende Zweedse socioloog Gunnar Myrdal had aangeduid als ""het Amerikaanse dilemma'': de diepe kloof tussen beleden idealen en de eigenlijke werkelijkheid. Als ""een neger met het lichaam van een blanke'', zou Powell de volle last hebben getorst van de tragische absurditeit van het racisme in de Verenigde Staten.