Ziekenzaal

Kleine Princesjes zijn altijd veel ziek,

Ze hebben het vaak aan hun oren;

Dan zuchten ze veel, want zuchten is chic,

Dan willen ze enkel heel zachte muziek,

Ja, bijna te zacht om te horen.

Dan wordt er gebeden, met koorzang,

(Vanzelfsprekend vreselijk zachjes)

Heer! behoud voor teloorgang

Hun verstopte gehoorgang,

Alsmede hun buis van Eustachius.

Wat zien die Princesjes doorschijnend en pips,

Je verwondert je over hun broosheid;

Een enkele ligt met een been in het gips

En je snapt wel: ze krijgen daar nooit op hun bips,

Want wat komt er nog bij? slapeloosheid.

Zo spelen ze lusteloos met hun kroontjes

En kijken bedroefd door de ruiten;

Ze serveren ze lauwe sperzieboontjes,

Maar 't brengt geen blosje op hun koontjes,

Want ze mogen ook nooit eens naar buiten.

Ze liggen zo stil en zo witjes en lief,

En dromen van sneeuw over Noorwegen;

Van de eenzame bergtop die zich daar verhief

En over de veiligheid, 't nut en 't gerief

Van de Noorse en Laplandse Spoorwegen.

Ach, wat kon je doen voor die kleine Princesjes?

Waar kon je ze dan mee bekoren?

Heel eenvoudig: met restjes

Oude reukstof in flesjes;

Dan voelen zij zich als herboren.