Werkgevers kunnen afspraken moeilijk nakomen

DEN HAAG, 11 JUNI. De centrale werkgeversorganisaties kunnen veel beloven maar weinig doen. Als ze afspraken maken beschikken ze niet of nauwelijks over de instrumenten om die na te komen. Dit bleek gisteren uit het verhoor door de parlementaire enquêtecommissie Uitvoeringsorganen Sociale Verzekeringen van G. Verhey, die sinds 1984 namens het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) lid van de Sociale Verzekeringsraad SVr.

Ter discussie stond het najaarsakkoord van 1990, waarbij werkgevers en werknemers afspraken het beroep op de WAO en de Ziektewet te reduceren. Eerder op de dag had CNV-bestuurder A.J. de Geus al verhaald hoe moeilijk het was die uitspraken per bedrijf en bedrijfstak uit te voeren.

Volgens Verhey vielen de centrale afspraken weliswaar in een “vruchtbare bodem”, maar later kwam de Toezichtkamer van de SVr - waarvan Verhey lid is - tot een minder positieve conclusie. Verhey: “Sommige onderdelen liepen heel goed, maar andere minder. Daarop volgde een pittige briefwisseling met de uitvoeringsorganen.”

Het beperkte succes was volgens Verhey onder meer te wijten aan het uitblijven van een nieuwe Organisatiewet Sociale Verzekeringen en aan de bezuinigingen van het kabinet. Verhey: “Die gebeurtenissen waren niet zo goed voor de uitvoering van het najaarsakkoord.” Maar hij moest ook erkennen dat hij met de bedrijfsverenigingen die hun werk niet aan het GAK hebben uitbesteed - de "zelf-administreerders' - “überhaupt heel weinig contact” had.

Maar, vroeg commissievoorzitter J.F. Buurmeijer (PvdA), heeft u als centrale werkgeversorganisatie dan geen eigen lijnen om centrale uitspraken te effectueren?

Verhey: “We beschikken niet over de instrumenten om in te grijpen. Dat hoort niet bij onze samenleving. Centrale coördinatie ligt sinds 1982, toen het arbeidsvoorwaardenbeleid decentraal werd, uitermate gevoelig. Wij als NCW hebben rechtstreeks niet zoveel te coördineren.”

Maar u zit als NCW in de Sociaal-economische raad en in de SVr, u sluit akkoorden, vroeg Buurmeijer. Dan is er toch sprake van een hiaat in de realisatie? Verhey bevestigde noch ontkende dat hiaat: “Je hebt achterbanprocedures, bestuurlijk overleg. De mensen op bedrijfstakniveau denken mee.”

Vervolgens trok hij ten aanval. De NCW-voorman wees erop dat de centrale werkgeversorganisaties al in 1979 een brief naar de regering stuurden waarin ze grote zorg uitspraken over de wildgroei van de WAO. “In die brief werd bepleit de uitkeringsrechten van WAO'ers te verminderen, door ze gelijk te maken aan die van WW'ers, en door de verdiscontering af te schaffen.” Die verdiscontering houdt in dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten een hele WAO-uitkering krijgen.

Maar de enquêtecommissie sloeg onmiddellijk terug. Buurmeijer: “Maar waarom adviseerde de SER dan drie jaar later, in 1982, met steun van alle werkgevers, de verdiscontering te handhaven?”

Verhey bleef het antwoord schuldig. Bedremmeld: “Dat kan ik u niet verklaren.”

Het commissielid M.M.H. Kamp (VVD) stelde vast dat de werkgeversbrief van 1979 geen weerslag had gevonden bij individuele bedrijfsverenigingen. Verhey: “Nee.” Vervolgens opende hij een tweede aanval. “ Wij stelden vast dat het WAO-volume tussen 1980 en 1990 steeg van 508.000 tot 633.000, een stijging in tien moeilijke jaren met slechts 125.000. Onderwijl steeg het aantal arbeidsongeschikte ambtenaren met liefst 54.000. Dan zeg ik: de bedrijfsverenigingen verdienen de kritiek niet die nu over hen wordt uitgestort. Nederland kende in de jaren tachtig moeilijke jaren, met veel bedrijfssaneringen.”

Buurmeijer: “Vindt u dat er relatief weinig arbeidsongeschikten zijn?”

Verhey: “Nee, maar de groei vond vooral tussen 1967 en 1980 plaats.”

Buurmeijer: “Erkent u dat werkgevers bij saneringen en inkrimpingen creatief met de WAO zijn omgesprongen?

Verhey: “Dat is gebeurd. Dat staat voor mij vast. Maar u moet aan mij niet vragen welke onderneming dat wel en welke dat niet heeft gedaan. Over de omvang heb ik echt geen inzicht. Voor mensen naar de WAO kunnen moeten ze wel eerst een jaar in de Ziektewet zitten. Overigens: het water stroomt naar het laagste punt. In België krijgen bijvoorbeeld veel arbeidsongeschikten een werkloosheidsuitkering.”

Aan het slot van zijn verhoor maakte Verhey duidelijk dat de opvattingen van de NCW over de uitvoering van de WAO, de WW en de Ziektewet in beweging zijn. Zo is men nu, anders dan een paar jaar geleden, wèl voorstander van een onafhankelijk toezicht. Verhey: “Maar dan moet het wel echt onafhankelijk zijn, en geen staatstoezicht zoals het kabinet in zijn voorstel voor een nieuwe Organisatiewet Sociale Zekerheid voor ogen staat.” Het wetsvoorstel, dat enkele weken geleden naar de Tweede Kamer werd gestuurd, voorziet in een College van Toezicht waarvan de leden geen deel uitmaken van het overheidsapparaat maar wel door de minister worden benoemd ('kroonleden').

Verhey erkende dat staatssecretaris L. de Graaf van Sociale Zaken zich halverwege de jaren tachtig door de sociale partners had laten “overtuigen” dat zijn plannen voor een onafhankelijk toezicht van de SVr en voor een grotere nadruk op regionale samenwerking van de baan moesten. De ambtelijke notities waarin die plannen waren vervat kon De Graaf zich tijdens zijn verhoor niet herinneren. Uiteindelijk ging de staatssecretaris in zee met het “synthesemodel”, een toekomstvisie ontwikkeld door de sociale partners waarin de macht van de sociale partners binnen de sociale zekerheid onaangetast blijft. In de jaren negentig heeft staatssecretaris Ter Veld overigens het accent weer verlegd naar een onafhankelijk toezicht.

FNV-bestuurder H. Muller was na afloop verbaasd over de vriendelijke manier waarop hij door de parlementaire enquêtecommissie werd verhoord. Eerder legde de commissie vakbondsvertegenwoordigers het vuur flink aan de schenen. Muller mocht uitvoerig vertellen welke werkzaamheden hij bij de FNV verricht en met wie hij samenwerkt. Volgens de vakbondsbestuurder is dat informatie waarover de commissie al beschikt.

Muller veronderstelde dat de milde houding waarmee hij tegemoet werd getreden een gevolg is van de kritiek van FNV-voorzitter Stekelenburg. Deze heeft de enquêtecommissie verweten dat zij er op uit is de vakbeweging de zwartepiet te bezorgen voor alles wat er is misgegaan in de sociale zekerheid. Vanuit de commissie werd met klem ontkend dat Stekelenburg de commissie bedeesd zou hebben gemaakt.