We zijn hier omdat we hier zijn; Peter Hunter, fotograaf in de schaduw van Erich Salomon

Erich Salomon stond bekend als de onzichtbare fotograaf: ongemerkt observerend, gaf hij een onthullend beeld van de staatslieden die voor de Tweede Wereldoorlog het lot van de wereld bepaalden. Ook zijn zoon Peter Hunter werkte in de schaduw, maar zijn motieven waren anders. Bijna een halve eeuw lang zette hij zich in voor zijn vader, aan zijn eigen werk kwam hij niet meer toe. Pas nu hij tachtig jaar wordt, komt daarin verandering: kort geleden droeg hij zijn collectie over aan het Nederlands Fotoarchief.

De New York Times Book Review publiceerde eind vorig jaar een foto van John F. Kennedy als een levenslustige, onbevangen jongeman. De praktisch onbekende foto was overgenomen van de omslag van Nigel Hamiltons biografie JFK: Reckless Youth en diende als blikvanger bij een recensie van dit boek. Kort erna plaatste fotograaf Paul Seligman in de brievenrubriek van het blad een kritische aantekening. Anders dan vermeld, schreef hij verontwaardigd, was de foto niet gemaakt door Peter Hunter maar door diens vader dr. Erich Salomon. Deze pionier van de fotojournalistiek, die zovele historische momenten vastlegde, heeft er op zijn minst recht op dat zijn werk aan hem wordt toegeschreven, stelde Seligman.

Een paar weken later zette de uitgever van de biografie de zaak recht: de foto maakt deel uit van een serie die ooit ten onrechte was gearchiveerd onder de naam Salomon in plaats van die van Hunter. De Kennedy Library en het fotobureau Magnum hebben de fout inmiddels hersteld, werd eraan toegevoegd.

Het incident is tekenend voor de bescheiden positie die Peter Hunter tientallen jaren lang heeft ingenomen. Sinds Erich Salomon, diens vrouw en jongste zoon in de oorlog werden omgebracht, stelde Hunter zijn leven in dienst van zijn vader. Bijna al zijn tijd en energie investeerde hij in het beheer van diens nalatenschap; zijn eigen werk als fotograaf werd een bijzaak die hij als irrelevant terzijde schoof. Ook letterlijk: de vele foto's die hij voor de oorlog maakte, lagen tientallen jaren vergeten tussen de mappen, plakboeken en knipsels die zijn Haagse werkkamer tot in alle hoeken vullen. Goede bekenden wisten van hun bestaan niet af en zelf kwam hij er zelden toe ze nog eens te bekijken.

Maar in het zicht van zijn tachtigste verjaardag is de situatie anders. Met de nodige aarzeling vertelt hij over zijn verblijf als immigrant in Londen, zijn relaas illustrerend met foto's die hij daar tussen 1935 en 1940 maakte. De inhoud van de enveloppen, verspreid over zijn bureau, completeert het beeld dat zijn vader gaf van het tijdperk dat de vernietiging inluidde: de paus en de aartsbisschop van Canterbury veroordelen de jodenvervolging, baron Rothschild ontmoet vluchtelingen van het nazi-regime, "ontaarde' Duitse kunst tentoongesteld in Londen, Chamberlain tijdens een ontvangst die door de Duitsers wordt geboycot en, tenslotte, de recrutering van jonge Engelsen voor het leger. Verder veel beroemde figuren, onder wie H.G. Wells en Julian Huxley, Richard Strauss, Bernard Shaw en Marlene Dietrich. Ook is er een foto van Albert Schweitzer, van wie Peter Hunter in 1936 ten afscheid een briefje met een bemoedigend levensmotto kreeg.

Polonaise

Een groot aantal foto's is gewijd aan Kennedy's vader, de Amerikaanse ambassadeur Joseph Kennedy en zijn gezin, dat Hunter drie jaar later vereeuwigde tijdens een verjaarsfeest van dochter Eunice. “Eerder was ik bij een diner geweest waar Kennedy zich pro-Duits uitliet, maar dat probeerde ik van me af te zetten. Ik beschouwde me als iemand die simpelweg vastlegde wat er gebeurde. Bovendien was ik gentrigreerd door zijn negen kinderen, ik kende niemand met zoveel nakomelingen. Het feest was aangekondigd als a small dance, maar er kwamen zeker driehonderd mensen die op een gegeven moment op de tonen van de Lambeth Walk een polonaise door het huis maakten. Nadat ik om drie uur 's nachts een halve kip had gegeten, heb ik nog een tijdje staan praten met John en Joe jr. die erg genteresseerd waren in mijn camera. Het leken me aardige jongens.”

Tussen de enveloppen en de foto's ligt een briefje waarop staat dat Otto Salomon, zoals Peter Hunter toen nog heette, als enige fotograaf toegang had tot het feest van de Kennedy's. Zo is er meer waaruit blijkt dat hij in Londen na verloop van tijd een fotograaf van enig aanzien was, een reputatie die hij vervolgens ondermijnde door zich terug te trekken in de schaduw van zijn vader. Na de oorlog was dat voor hem een voor de hand liggend besluit. “Als enige overlevende van de familie, was er geen andere keus. Ik zag het als een verplichting om tenminste één van de miljoenen slachtoffers van Hitler een naam te geven. Door mij in te zetten voor het werk van mijn vader hield ik de herinnering aan hem levend en tegelijkertijd die aan de moord op zovele onschuldigen.”

Peter Hunter slaagde in zijn opzet. Het is vooral aan hem te danken, dat tal van tentoonstellingen en een reeks boeken Erich Salomons faam verstevigden als de toonaangevende Bildhistoriker van zijn tijd. Zeker zo belangrijk was de moeite die hij zich getroostte het werk van Salomon (voor zover nog aanwezig) op te sporen en te catalogiseren. “De jaren dat ik daarmee bezig was, hebben mijn leven inhoud gegeven”, zegt Hunter. “Al doende kwam ik nader tot mijn vader die ik van jongs af bewonderde. Ik vereenzelvigde me zozeer met zijn foto's dat ik ze gaandeweg als mijn eigen werk ging zien. Wanneer ergens een foto van hem werd geplaatst, betrapte ik me op de gedachte dat het om één van mij ging.”

Toch ziet Hunter grote verschillen. “Door het verstrijken van de tijd krijgt mijn werk enige historische waarde, maar in vergelijking met dat van mijn vader is het vrij onbelangrijk. Hij was een baanbreker op een gebied waar ik een van zijn vele navolgers werd, iemand die het zichzelf makkelijker maakte dan hij ooit deed. Binnen de geschiedenis van de fotografie ben ik alleen belangrijk in connectie met wat Salomon tot stand bracht.”

Niet iedereen is het eens met deze stelling. Buitenstaanders kunnen zich een eigen oordeel vormen nu het werk van Peter Hunter onder beheer komt van het Nederlands Fotoarchief in Rotterdam. Directeur Flip Bool, die aan deze vergeten collectie een expositie en een boek wil wijden, maakte de afgelopen maanden met zijn vrouw al een voorlopige inventarisatie. Voor Hunter vormde dit voorspel tot de overdracht een onzeker stemmende fase, die hem eens te meer terugvoerde naar het verleden.

Kort voor de laatste archiefmappen naar Rotterdam gaan, toont hij in zijn stille werkkamer in Den Haag foto's van het Berlijnse huis waar hij in 1913 als Otto Salomon werd geboren. Op een van de foto's, genomen door zijn vader, staat hij als vijftienjarige scholier bij het vergrotingstoestel van Erich Salomon. “In die tijd beschouwde ik mezelf zo'n beetje als zijn assistent. Soms stond ik 's morgens om vijf uur op om zijn films te ontwikkelen en een enkele keer hielp ik hem als hij aan het knutselen was, bijvoorbeeld aan een frame voor zijn in een koffertje verborgen camera. Ondertussen luisterde ik gefascineerd naar zijn verhalen over de avonturen die hij beleefde als hij ongemerkt ergens zijn werk deed. Als bezeten fotograaf was mijn vader naar zijn zeggen tagaus nachtein an der Arbeit en hij vond het vanzelfsprekend dat wij hem daarbij behulpzaam waren. Als we tot drie uur in de nacht hadden gewerkt, was hij stomverbaasd dat ik vier uur later niet tegelijk met hem opstond om verder te gaan.”

Scriptie

Otto Salomon was al vroeg in de ban van "het magische proces' dat zich voordoet als in de ontwikkelaar langzaam het door de camera vastgelegde beeld tevoorschijn komt. Niettemin besloot hij, zoals zijn vader dat eerder had gedaan, rechten te gaan studeren. Zo kwam het dat hij in de nacht van 29 op 30 januari 1933, samen met de zoon van de latere Bondspresident Heuss, aan een scriptie werkte; pas de volgende morgen drong tot hem door dat Hitler die nacht de macht had overgenomen. Zijn ouders besloten onmiddellijk hun verblijf bij zijn grootouders in Den Haag voor onbepaalde tijd te verlengen, maar Otto bleef aanvankelijk optimistisch. Tenslotte had hij een evangelische opvoeding gehad en was hij opgegeroeid in een milieu van, naar zijn gevoel, Duitse signatuur; hoewel hij indertijd geen lid kon worden van de Bismarck Jugend, had zijn joodse achtergrond nooit een rol gespeeld. Aan een vriend schreef hij dan ook geruststellend dat zijn familie al honderden jaren in Duitsland woonde en zich niet zomaar liet verdrijven. Maar de ontwikkelingen deden hem al gauw van inzicht veranderen. Na nog een zorgeloze avond in de Kroll Oper, waar hij een kostuumbal bijwoonde terwijl niet ver daarvandaan de Rijksdagbrand uitbrak, was hij op 1 april 1933 getuige van de boycot van joodse winkeliers. “Ik was ontsteld toen ik op de Kurfürstendamm merkte dat mensen werd belet het Kaufhaus des Westens binnen te gaan. "Ieder kan hier blijkbaar voor politieagent spelen', zei ik tegen een man die voor de ingang de wacht hield. Terwijl hij me afsnauwde, zag ik op zijn revers een hakenkruis. Een paar dagen later pakte ik mijn koffers en reisde ik naar Den Haag.”

Anders dan zijn ouders ontwikkelde Otto Salomon zich in die tijd tot een overtuigd zionist. Ervan uitgaande dat joden zich in hun eigen land alleen als vaklieden staande konden houden, trachtte hij zich in Deventer te bekwamen tot smid. Met even weinig succes werkte hij vervolgens in Litouwen op een kibboets, waar hij de verzorging op zich nam van vier paarden. Geveld door ziekte keerde hij na enige maanden terug naar Nederland. Onderweg bezocht hij het ouderlijk huis in de Berlijnse Hölderlinstrasse, vanwaar hij een doos met 400 glasnegatieven van zijn vader meenam. Kort daarna werd het toen nog volledig ingerichte zeven-kamerappartement bezocht door mogelijke nieuwe huurders. Misprijzend keken ze naar de familieportretten aan de wand, zo werd later verteld. Da hängen sie, die Juden, hadden ze bij die gelegenheid gezegd.

In 1935 vertrok de toen 22-jarige Otto Salomon naar Londen, waar hij dank zij een relatie stagiair werd bij Associated Press. Al na een paar maanden besloot hij, voorzien van een oude Leica van zijn vader, zelf te beginnen als fotograaf. “Voor veel immigranten, die nooit meer dan tien mark mee mochten nemen, was zo'n camera hun beginkapitaal. Je kon ermee aan de kost komen, bijvoorbeeld door op straat voorbijgangers te fotograferen en hun daarna het resultaat te verkopen. Zelf richtte ik me op kranten en weekbladen, want ik wist dat ze er daar niet tegenop zien om desnoods van de duivel een behoorlijke plaat te kopen. Om te beginnen deed ik mee aan een competitie in de Weekly Illustrated, aan wie ik een foto van een oudere heer in een bibliotheek kon slijten. Daarna wist ik een op de rug gefotografeerde zwaan in de Evening Standard te plaatsen en later volgden nogal wat balletfoto's, onder meer van Anton Dolin en Alicia Markova. Op een gegeven moment probeerde ik binnen te dringen op de Wereld Suikerconferentie in de hoop daar de Britse ex-premier Ramsay MacDonald te kunnen vastleggen. Ver kwam ik niet: een potige portier pakte me bij mijn schouders, een ander bij mijn broek en samen smeten ze me het Mayfair Hotel uit.”

Banneling

Toch werd hij de jaren daarop een bekende verschijning op ambassades, in society-kringen en in de muziek- en theaterwereld. Na enkele jaren verdiende hij meer dan Erich Salomon die, als banneling levend in Den Haag, een tijdlang zwaar depressief was. Otto Salomon, in Engeland optredend als vertegenwoordiger van zijn vader, probeerde hem inmiddels keer op keer te overreden met zijn vrouw naar Londen te komen. Deze pogingen hadden geen succes. “Hij stuurde een bevriende oud-ambassadeur op mij af, die uitlegde dat er geen gevaar was: Nederland zou neutraal blijven. Toch heeft mijn vader later nog over emigratie gesproken met de Argentijnse ambassadeur en de consul van San Salvador, maar dat leidde tot niets. Hij troostte zich met de gedachte dat zij hoe dan ook veilig zaten achter de Waterlinie.”

Op 10 mei 1940, de dag dat de Duisters Nederland binnenvielen, kwam Otto Salomon nogmaals in actie. “Ik ging naar het ministerie van buitenlandse zaken, waar ik vroeg of mijn ouders meekonden op een torpedojager die, zoals ik had gelezen, Brits personeel naar Engeland over zou brengen. De lange diplomaat die me ontving, Lord Hood, vertelde me beleefd dat dit niet zo makkelijk was als ik misschien dacht. Daarna bezocht ik de BBC. Ik nam de lift naar de achtste verdieping en klampte een kennis van mijn vader aan, die zich verbaasd afvroeg hoe ik er bij kwam dat hij iets zou kunnen doen. Ten einde raad vroeg ik de redactie van Life in New York telegrafisch of zij nog voor papieren konden zorgen. Will do what we can to help dr. Salomon and his family, seinden ze terug, verder heb ik nooit meer iets gehoord.”

Nog geen maand later, op 4 juni, werd Otto Salomon als Duitse enemy alien opgepakt. “Tijdens het ontbijt werd er aangebeld door een politie-inspecteur die me een half uur tijd gaf om wat spullen bijeen te zoeken. Met de bus, die ik voor ons beiden betaalde, gingen we naar het politiebureau. De volgende ochtend werd ik overgebracht naar een manege en vandaar een paar dagen later naar een renbaan, waar ik tussen honderden lotgenoten onder de tribune sliep. Op die renbaan in Kempton Park voelde ik me ongelukkiger dan ik me ooit in de oorlog heb gevoeld. "Ik weet dat ik mijn ouders en mijn broer nooit meer zal zien', zei ik tegen iemand die naast me zat. Achteraf gezien is het onbegrijpelijk dat ik sindsdien bijna elke nacht heb kunnen slapen, ik neem dat mezelf nog altijd kwalijk. Maar als ik 's ochtends wakker werd, stond me voor ogen wat er was gebeurd: ik had mijn familie verloren.”

Na een verblijf op het eiland Man, waar zich onder de genterneerden een zoon van Freud, Kurt Jooss en Kurt Schwitters bevonden, werd Otto Salomon met vele anderen ingescheept op de Dunera. Door Britse soldaten werden de enemy aliens min of meer aan boord geslagen, waar Salomon pas de tweede dag onderin het ruim een slaapplaats vond. De condities waren erbarmelijk: zeep en tandpasta ontbraken, uit de provisorische douches stroomde zeewater, het aantal wc's was gering en het menu bestond vaak uit pens en ui. Onder een deel van de opvarenden heerste dysenterie. Na acht dagen realiseerden de onvrijwillige passagiers zich dat zij niet op weg waren naar Canada, de bestemming van verschillende andere transporten. De stand van de zon en een aan boord gesignaleerde tropenhelm duidden op een zuidelijker koers, die naar Australië bleek te voeren. Na bijna twee maanden varen, een treinreis van twee dagen en een wandeling door het zand arriveerden de mannen in verzwakte toestand in een voor vluchtelingen ingericht kamp in New South Wales. Evenals in de andere kampen waar Salomon verbleef, heerste er een gelaten sfeer die treffend werd verwoord door een motto op het kampgeld: We are here because we are here.

Verontwaardiging

Zijn genegenheid voor de Engelsen en zijn ontzag voor hun oorlogsinspanningen is te groot om lang bij deze periode stil te staan. Liever legt hij de nadruk op de verontwaardiging die in Engeland ontstond toen bekend werd wat de (veelal joodse) vluchtelingen hadden moeten doorstaan. De commotie vormde aanzet tot zijn terugkeer naar Londen, waar hij als vrijwilliger toetrad tot het leger. Terwijl hij werd opgeleid tot chauffeur in een tankbataljon, besloot Salomon met het oog op een mogelijk krijgsgevangenschap zijn naam te veranderen. Zijn keus viel op Peter Hunter, een verwijzing naar het pseudoniem "Picture Hunter' dat Erich Salomon soms had gebruikt om zijn omgeving op een dwaalspoor te brengen. Na betaling van vijf pond liet hij de naamsverandering in 1951 officieel vastleggen, een stap die hem naar zijn gevoel los maakte van het imago van zijn vader.

Onder zijn nieuwe identiteit zag Hunter kans toe te treden tot de Army Film and Photo Unit, een eenheid van voornamelijk persfotografen die in de Pinewood-filmstudio's werden opgeleid om in de voorste linies de strijd aan het front vast te leggen. Op 6 juli 1944 nam hij, staande op Westminster Bridge, afscheid van Londen en de volgende dag ging hij op de Volendam scheep naar Italië. Met het achtste leger van generaal Alexander verbleef hij in de bergen tussen Florence en Bologna om vervolgens het offensief in de Po-vlakte mee te maken. Het einde van de oorlog beleefde hij in Triëst, waar de Britse en Joegoslavische troepen elkaar ontmoetten.

Nog geen zes weken na de bevrijding bezocht Peter Hunter in dezelfde stad een bioscoop gelegen aan - het staat gegrift in zijn geheugen - de Via 28 Settembre. Vertoond werd een film die zijn eigen eenheid kort tevoren had opgenomen in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Enkele dagen lang was hij van de kaart. “In 1942 al had The Observer onder de kop The Abyss als eerste melding gemaakt van de kampen, maar tegen beter weten in bleef je hopen dat de werkelijkheid althans iets minder erg zou zijn. Nu was daar geen aanleiding meer voor, in dat theater in Triëst drong de onbegrijpelijke verschrikking in haar volle omvang tot me door. Niet lang daarna kreeg ik van het Rode Kruis bericht dat mijn ouders en broer Dirk in 1944 waren omgebracht in Auschwitz. "Dit soort dingen gebeuren al honderden jaren', zei een vriendin in een poging me te troosten. Maar daarbij was men niet te werk gegaan op deze koel berekende, systematische wijze, dacht ik bij mezelf. Nooit eerder had men van het moorden een industrie gemaakt.”

Nadat hij in Wenen getuigenissen had vertaald van mensen die de kampen overleefden, ging Hunter in 1946 in Nederland op bezoek naar sporen van zijn ouders. Bij hun schuiladres in Heelsum vond hij tenslotte onder een kippenhok twee weckflessen met negatieven, een belangrijk deel van wat later het archief van Erich Salomon zou worden. Tijdens dit bezoek maakte hij kennis met Trudy Ulmann, een vriendin van zijn broer die door onder te duiken wist te ontkomen aan de nazi's; in 1954, twee jaar nadat Hunter zich in Amsterdam had gevestigd, trouwden zij.

De jaren daarvoor had hij in Londen geprobeerd de draad van zijn leven weer op te nemen, iets dat slechts ten dele lukte. “Het kostte mij moeite om me te concentreren op de gewone, alledaagse dingen. Als vanouds ging ik ijverig als fotograaf op pad, maar het lukt me niet er warm voor te lopen. Als ik een plaatje maakte van een actrice of de dochter van een ambassadeur ontbrak de motivatie. Het was naar mijn idee allemaal een beetje onbenullig.”

Voor een ommekeer zorgde het befaamde blad Picture Post, dat in de zomer van 1947 dertien foto's van Salomon publiceerde onder de kop He photographed Europe in decay. In de begeleidende tekst beschreef Hunter hoe zijn vader, in de hoop uitstel van deportatie te bewerkstelligen, tijdens de bezetting een bezoek bracht aan de Sicherheitsdienst in Den Haag. Hij werd er ontvangen door een medewerkster van de joodse afdeling, een zekere Gertrud Slottke, die tegen een collega zei: Ich habe hier vor mir den Juden Salomon. Op dat ogenblik realiseerde Salomon zich eindelijk, zo schreef zijn zoon, dat hij had te maken met "figuren die niet langer menselijk konden worden genoemd'.

Haat

Door het artikel werd Peter Hunter zich bewust dat hij een andere weg in moest slaan. “In die jaren was ik vervuld van onnoemelijke haatgevoelens. Na verloop van tijd besefte ik dat ik daar niet mee leven kon, dat ik aan die permanente haat ten onder zou gaan en zo alsnog een slachtoffer zou worden van het nazi-regime. Die publikatie was een eerste stap in een andere richting. Geleidelijk aan groeide de overtuiging dat ik, als tegenwicht voor wat er was gebeurd, de taak had mijn vaders naam in ere te houden en zijn belangen te verdedigen.”

In de jaren die volgden gaf Peter Hunter, later geholpen door Trudy Ulmann, de aanzet tot een reeks artikelen, tentoonstellingen en boeken, die met elkaar de bouwstenen vormen van een monument voor Erich Salomon. Een doorbraak was in 1956 de Photokina in Keulen, waar de eerste grote naoorlogse expositie van zijn werk was ingericht. “We vonden het een moeilijk punt dat het uitgerekend in Duitsland gebeurde, maar initiatiefnemer Fritz Gruber was in 1930 al een bewonderaar van Salomon. Belangrijker was dat de tentoonstelling bij kon dragen aan de bewustwording van wat er in het nabije verleden in Duitsland was gebeurd. Om die reden stonden wij erop dat Gruber in zijn openingsspeech zou zeggen dat mijn vader in Auschwitz was vermoord. Dit feit stond ook vermeld in een aan de wand gehangen biografie die, zo hoorden we pas later, steeds weer door bezoekers werd verwijderd.”

Kwaad

Na de Photokina volgden onder meer exposities in Leiden, Stockholm, Parijs, Düsseldorf en, in 1981, het Amsterdamse Stedelijk Museum. Vijf jaar later werd Erich Salomons honderdste geboortedag herdacht met tentoonstellingen in New York en zijn geboortestad Berlijn. Eerder al was in deze stad Salomons nalatenschap ondergebracht. De 1700 glasnegatieven en 8.000 negatieven op kleinbeeldfilm vonden een plaats in de Berlinische Galerie: een instelling gelegen naast het vroegere SS-hoofdkwartier waar mensen werden gemarteld. Maar Hunter is met deze plek tevreden: “De Galerie richt zich op werk van kunstenaars die hun wortels hadden in Berlijn, maar daar vanwege de nazi's niet konden blijven wonen. Met deze verzameling wil men het kwaad dat is geschied enigermate corrigeren.”

De overdracht van de archieven vormde voor Hunter een afsluiting van de 35 jaar die hij, zijn geld verdienend als vertegenwoordiger van buitenlandse fotobureaus, aan zijn vader schonk. “Doordat ik bij toeval in leven bleef, heb ik iets kunnen doen dat de moeite waard was”, vindt hij. “Maar voor mijn vrouw is het weleens een belasting geweest. Zij moest zich tevreden stellen met iemand die een groot deel van de tijd in het verleden verkeerde.”

“Makkelijk was het niet altijd”, geeft Trudy Ulmann toe. “Meer dan wat ook was hij de plaatsvervanger van zijn vader. Dat is ten koste gegaan van zijn eigen mogelijkheden.”

De volgende dag verzamelen we in Peter Hunters kantoor enkele dozen met zijn foto's en negatieven, die daar jarenlang onzichtbaar tussen de overige archiefstukken stonden. Een uur later al zijn ze op de plaats van bestemming: een vooroorlogs pand in het Rotterdamse havengebied, de voorlopige locatie van het Nederlands Fotoarchief. Zittend voor een kast gevuld met het werk van Cas Oorthuys, slaat Hunter een laatste blik in zijn dozen. Na een tijdje vindt hij een filmpje, dat langdurig tegen het licht wordt gehouden. “Hoe is het mogelijk”, zegt hij verbaasd. “Hier zijn de negatieven van Mrs. Kennedy en Lady Astor waar ik zo lang naar zocht. De opnamen zijn van begin 1938, de periode dat ik net genoeg had verdiend om mijn eerste flitsapparaat te kopen.”

Dan valt zijn oog op een willekeurige foto uit die tijd. Hij kijkt verheugd: “Eigenlijk toch wel een aardige plaat.”