Wat heb ik hiermee te maken? Bluesbundel van Nachoem Wijnberg

Nachoem M. Wijnberg: Langzaam en zacht. Uitg. De Bezige Bij, 62 blz. Prijs ƒ 27,-.

Nachoem Wijnberg leest donderdag 17 juni op Poetry International.

In het slotgedicht van de nieuwe bundel van Nachoem Wijnberg komt een reizende handelaar aan het woord. Hij somt op wat hij zoal bij zich heeft: huiden, stenen, zijde, parfum, wijn, glas, sinaasappels en abrikozen. Maar, zo laat hij erop volgen: ”Dit gaat niemand aan / behalve mijzelf.' Vreemde zin voor iemand die iets wil verkopen. In de tweede strofe vertelt hij dat hij zijn vrouw heeft verlaten en enig huisraad als ruilwaar heeft meegenomen. Hij herhaalt zijn nukkige verklaring: ”Dit gaat niemand aan'. In de derde strofe spreekt hij de verwachting uit ooit als een rijk man te zullen terugkeren. En ook hier meldt hij, tot twee keer toe zelfs: ”Dit gaat niemand aan. / Dit gaat niemand aan.'

Dit is een merkwaardig gedicht en het is ook een merkwaardig bokkig besluit van een bundel. Wat zou de dichter er mee bedoelen? In een interview vertelde Wijnberg, in het dagelijks leven econoom, dat de figuur van de handelsreiziger hem was ingegeven door economisch-historische lectuur. Hij had iets willen doen met het gegeven van de middeleeuwse marskramer, maar dat was hem pas gelukt toen hij de rondtrekkende handelaar kon verbinden met het motief van de teleurstelling in de liefde. De verbinding wordt gelegd door de zin ”Dit gaat niemand aan', die volgens hem begrepen moet worden als een vertaling van ”That's nobody's business but my own', een regel uit een verzameling bluesteksten die hij toevallig op het spoor was gekomen. Business betekent ook handel, dus dat kwam mooi uit - hoewel noch het woord business, noch het even dubbelzinnige Nederlandse equivalent zaken (”Dit zijn mijn eigen zaken' bijvoorbeeld) in de tekst voorkomt.

Wijnberg is een dichter van wie ik wel vaker uitleggingen van eigen werk zou willen lezen. Niet omdat een gedicht als ”Reizende handelaar' er beter door wordt, maar dan toch in ieder geval iets beter te begrijpen. Zijn verzenbevinden zich steeds meer in een contextloos vacuüm en ze stellen de lezer steeds vaker voor de vraag: ”Wat heb ik hier eigenlijk mee te maken?'.

Wijnberg debuteerde in 1989 als een veelbelovend dichter met De voorstelling in de nachtclub. Een jaar later werd zijn tweede bundel De simulatie van de schepping al genomineerd voor de Cees Buddingh' prijs. Beide bundels bevatten korte gedichten vol aanleidingen, met heldere titels als ”Caesar bezoekt Cicero', ”Leonardo's sollicitatie', ”De orkaan van 1969' en ”Het lawaai in het atelier van Rodin'. In zijn derde bundel, De expeditie naar Cathay (1991), begon hij zich meer naar binnen te richten: zijn aandacht verschoof van historische anekdotes naar hersenbewegingen, van aanwijsbare onderwerpen naar onzichtbare denkpatronen. Zijn gedichten werden langer en vormelozer en zij moesten het steeds vaker zonder een echte afronding stellen.

Wijnbergs vierde bundel Langzaam en zacht sluit zich hierbij aan. Geen rijm, geen ritme, geen treffende beelden, onhandige formuleringen en lange, vaak veel te lange zinnen. Daarmee schrijft hij gedichten die dan nog maar het best als portretten gekarakteriseerd kunnen worden, al is in de praktijk niet vaak duidelijk van wat of wie. Zie bijvoorbeeld ”Race', het kortste gedicht uit de bundel:

RACE

Mijn formule I-wagen van legostenen.

Mijn banden als draaiende vlammen

van een hemelwagen. Mijn benzine is op.

Ik duw mij over de finish als eerste.

Mijn doodschip ligt klaar in het riool.

Vergeet je lichtgevend badpak niet als je mee wilt komen. Zou dit, gelet op de legostenen, de verbeelding van een jongensdroom zijn? Of een ode aan diverse vormen van vervoer (racewagen, hemelwagen, doodschip)? Zou deze race opgevat moeten worden als een metafoor voor het leven, met de dood als finishlijn (en het riool als Styx, het doodschip als Charons veer)? Of toch maar gewoon, altijd raak, een impressie van onze videoclipcultuur, ook wegens de lichtgevende badpakken?

Alles kan, in deze van opsommingen aan elkaar hangende gedichten. Er wordt veel in geregistreerd en genoemd, meestal zonder enige hiërarchie. Soms treft een wat softe aanpak (”Wil je nog ergens met mij over praten'), soms ligt de nadruk op erotiek (opmerkelijk veel borsten en billen), soms maakt het geheel een surrealistische indruk (”De lichte avond is een sorteerinrichting'). In de beste gevallen loopt deze ikloze willekeur uit op iets wat je onthechting zou kunnen noemen. Zo begint ”Dag':

Het begin van de dag, het begin van werk,

het einde van de dag, het einde van werk

als het voorbij is.

En zo eindigt het:

Het begin van de dag, het begin van verlangen,

het einde van de dag, het einde van verlangen

als het voorbij is.

Maar misschien is dit ook wel de blues waar Wijnberg zich, zo zei hij in een interview, verwant mee voelt. Als er in vergelijking met zijn eerdere drie bundels iets veranderd is, dan is het de toegenomen strofering en herhaling van versregels, vermoedelijk op te vatten als een buiging in de richting van de (blues)muziek met zijn coupletten en herhaalde refreinregels. Maar echte liederen willen het niet worden. Echte gedichten evenmin. Geen wonder, als we lezen dat Wijnberg voor deze bluesbundel nu juist zijn best heeft gedaan prozazinnen te schrijven. ”Dat heb ik m'n uitgever nog expres gevraagd daar op te letten, dat elke zin als een prozazin te lezen is.' Hij hoopte daarmee de begrijpelijkheid van zijn werk te verhogen.