Veel dingen zijn onvolboren; Essays over en poezie van P.C. Boutens

Uit den ban van duur en tijd. Bloemlezing uit de lyriek van P.C. Boutens (1870-1943). Uitg. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 118 blz. Prijs ƒ 25,-.

Ik heb iets bijna schoons aanschouwd. Over leven en werk van P.C. Boutens. Schrijversprentenboek 34. Hoofdred. Murk Salverda. Uitg. Athenaeum, Polak & Van Gennep en het Letterkundig museum, 168 blz. Prijs ƒ 39,90.

Lange tijd was er precies één bundel van Boutens, en lang niet de beste, niet-antiquarisch verkrijgbaar. Dat was wanstaltig; alleen al daarom moeten we blij zijn met de zojuist verschenen bloemlezing Uit den ban van duur en tijd en het door dezelfde samenstellers geredigeerde schrijversprentenboek Ik heb iets bijna moois aanschouwd, waarin zeven essays over Boutens en veel foto's bijeen zijn gebracht.

Je kunt je afvragen of het een goed idee is een bloemlezing en een schrijversprentenboek door dezelfde redactie te laten verzorgen. Zo wordt bijdragen aan de vreselijke tendens om te weinig onderscheid te maken tussen literatuur en studies over literatuur, waarbij het vaak zelfs lijkt alsof de studies duidelijker, intelligenter, bruikbaarder en dus belangrijker worden gevonden dan de poëzie zelf. De anthologie, zo staat in het nawoord bij de bloemlezing, "vormt een onmisbare aanvulling op en een complement bij de essays uit het Schrijversprentenboek (-).' Het is toch de omgekeerde wereld als we worden geacht de gedichten te lezen als "aanvulling' op het prentenboek en niet andersom? De bloemlezing is bedoeld voor "wie tegen beter weten in van mening is dat dit klassieke oeuvre zelfs voor goede heidenen en namodernen het blikveld kan verruimen.' Waarom toch "tegen beter weten in'? Wat voor "weten' zou dat zijn, dat je zou verhinderen gedichten als gedichten te lezen, en niet als de zoveelste "verruiming' van het "blikveld'?

Het samenstellen van een bloemlezing is altijd ondankbaar werk. Het blijft moeilijk, vooral bij zo'n produktief dichter als Boutens, de juiste balans te vinden. Moet de bundel representatief zijn voor het hele oeuvre van de dichter, of juist toegespitst op de smaak van de samenstellers en hun tijdgenoten? Er is duidelijk gekozen voor een representatieve selectie, waarbij ook Boutens' vertalingen (o.a. van Sappho en Omar Khayyam) op bescheiden schaal meedoen.

Yeats

Het resultaat is een goed en fraai boek dat hopelijk in de komende jaren veel gelezen zal worden. Het is alleen jammer dat de omvang zo beperkt is gebleven: nog geen 110 pagina's poëzie uit een rijk oeuvre dat meer dan veertig jaar omspant. Iets meer ruimte had het bijvoorbeeld mogelijk gemaakt meer op te nemen uit een bundel als Tusschenspelen, die af en toe aan de latere Yeats doet denken: dezelfde bedriegelijk eenvoudige woordkeus en metriek, hetzelfde schijnbaar achteloze meesterschap waarmee zware onderwerpen worden aangesneden.

Ook uit de Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe had dan meer kunnen worden opgenomen. Deze bundel, waarvan Boutens tijdens zijn leven om persoonlijke redenen steeds heeft ontkend dat hij de auteur was, zou een machtig wapen kunnen zijn in de hand van wie de aanzet zou willen geven tot een herwaardering van Boutens. Er wordt in deze gedichten nauwelijks meer gebruik gemaakt van de vlot aandoende rijmpatronen waar zoveel modernen (en dus ook namodernen, voorzover die echt bestaan) moeite mee hebben. Makkelijke poëzie is het niet, maar dat zijn de sonnetten van Shakespeare ook niet: ook daarin wordt de liefde betuigd en belicht langs lijnen van statige ritmen.

Deze gedichten, die nooit eerder in een bloemlezing van Boutens werden opgenomen, laten zich vergelijken met de latere poëzie van Hans Faverey, hoe onaannemelijk een dergelijke vergelijking iedereen ook zal voorkomen die literatuur slechts vanuit de chronologische ontwikkeling benadert, of die alle teksten wil kunnen verklaren op basis van andere, aantoonbaar verwante teksten. Boutens en Faverey delen een gemeenschappelijke zorg om de taal: het besef dat er meer moet zijn dan alleen de woordenboekbetekenis van de woorden, dat de klank niet alleen interessant en intelligent maar ook edel moet zijn. En ze bewaren allebei, dankzij de oud-Griekse inslag, een absolute artistieke onafhankelijkheid van het doorsnee eigentijdse levensgevoel.

Oubollig

Het schrijversprentenboek, waarin onder meer essays van Ben Peperkamp over Boutens' carrière en poëtica, van Harry G.M. Prick over Boutens' vriendschap met Lodewijk van Deyssel en van Ernst van Alphen over homoseksueel verlangen in Boutens' gedichten, is informatief en gul gellustreerd. Nuttige voetnoten wijzen de weg naar andere literatuur.

Maar het gevaar dreigt dat deze solide, aantrekkelijk schrijversprentenboek de bescheiden bloemlezing zal overstemmen. Dan zouden wij terug bij af zijn: alweer zou Boutens' poëzie minder aandacht krijgen, en minder serieus worden genomen, dan pogingen om de vermeende "moeilijkheid' ervan voor proza-lezers verteerbaar te maken. Het is en blijft godgeklaagd dat een van de écht grote Nederlandse dichterlijke oeuvres van de twintigste eeuw wordt gedegradeerd tot een oubollige curiositeit die alleen nog voortbestaat omdat er essayisten zijn die er iets over willen vertellen.

Jan Nap en Joost van der Vleuten besluiten hun artikel over de receptie van Boutens poëzie aan het boek met de uitspraak van Pierre Dubois uit 1970 dat “een figuur als Boutens steeds meer een gesloten boek zal worden, wanneer het niet wordt ontsloten met behulp van alle sleutels die dat mogelijk maken.” Maar een lezer die er niet uit zichzelf mee kan instemmen dat veel dingen in deze wereld "onvolboren' zijn, zal dat niet ineens wél kunnen na het lezen van een paar inleidende alinea's over Platoonse filosofie. Modernen die moeite hebben met een woord als "ontblijven' zullen het niet minder raar vinden als ze te weten komen dat ook Hadewijch het gebruikte. Het enige wat zou kunnen helpen - maar het heeft geen zin daar met ingehouden adem op te zitten wachten - is het ontstaan van een klimaat waarin poëzie zelf meer gelezen werd. En dan alsjeblieft als poëzie, en niet als aanvulling op proza over poëzie.

    • Lloyd Haft