Tussen het zoet knabbelend vee; De pastorale in Holland

Herders en herderinnen zien er op schilderijen uit de Gouden Eeuw altijd blond en blozend uit. De modellen zullen dan ook zeker Hollands zijn geweest. Toch zijn de schilderijen onhollands van sfeer. Van eigenschappen als ingetogenheid en huiselijkheid, is niets te bespeuren, blijkt op het eerste overzicht van pastorale schilderkunst in Utrecht.

Het gedroomde land; pastorale schilderkunst in de Gouden Eeuw. Centraal Museum, Utrecht. T/m 1 aug. Catalogus ƒ 55,- (ingenaaid) en ƒ 85,- (gebonden). De expositie reist door naar Frankfurt (Schirn Kunsthalle, 25 sept - 28 nov. en Luxemburg (Musée National d' Histoire et d'Art 11 dec. - 26 jan.).

Het is toeval, maar binnen een week werd Nederland tweemaal indringend geconfronteerd met Ovidius. Bij Athenaeum verscheen de vertaling van zijn Metamorfosen door M. d'Hane-Scheltema en in het Centraal Museum in Utrecht opende de tentoonstelling Het gedroomde land, pastorale schilderkunst in de Gouden Eeuw, waar vele taferelen te zien zijn die aan Ovidius zijn ontleend. Zo beleeft deze Romeinse dichter een zekere renaissance in de Lage landen, al zal hij niet meer zo geliefd worden als in de zeventiende eeuw. De eerste Nederlandse vertaling van de Metamorfosen verscheen al in 1552 en talloze prentontwerpers en schilders hebben zijn vertellingen tot onderwerp gekozen en verbreid. Hierdoor konden de Metamorfosen en in ruimere zin de hele klassieke mythologie gaan behoren tot het referentiekader van de ontwikkelde Nederlandse burger.

Telkens blijkt de zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst onvermoede genres en subgenres, scholen en kleinere meesters in petto te hebben. Nu is de pastorale aan de beurt. In 1983 verscheen het eerste en enige standaardwerk over arcadische landschappen in Nederland (Alison McNeil Kettering, The Dutch Arcadia). In datzelfde jaar werd in Rome een kleine tentoonstelling aan dit thema gewijd en ook het aangrenzende genre van de Italianisanten is al eerder belicht. Maar een eerste overzicht, in dit geval van zestig in een aantal gevallen niet eerder getoonde of gepubliceerde werken, is werkelijk nieuw en verrassend. De tentoonstelling is met zijn ruime no nonsense-manier van exposeren tegen egaal gele wanden op een prettige manier traditioneel. De catalogus verduidelijkt de achtergronden en ontwikkeling van het genre.

Het pastorale thema is geen schilderkunstig specialisme, al zou de tentoonstelling die indruk kunnen wekken. Het was eerder zo dat een aantal schilders bij tijd en wijle een pastoraal onderwerp kozen en dat aanpasten aan de wijze van schilderen en de beeldconventie waarin ze toch al werkten.

Het begrip "pastorale schilderkunst' is op de tentoonstelling ruim opgevat. Er worden ruwweg drie verschillende beeldtradities onderscheiden. Ten eerste is er het idyllische, zuidelijke landschap waarin zich tussen bossages, runes en beekjes een of meer herders ophouden. Soms zijn ze afgebeeld als de spelers in een van de vele pastorale verhalen of toneelstukken die toen populair waren, soms doen ze niets anders dan dommelen, minnekozen of vredig hoeden.

Hoeksteen

Ten tweede is er een vorm van het portrait historié. Daarop ziet men een persoon geportretteerd, uitgedost in quasi herderlijke kledij. Soms betreft dat alleen een hoofd, soms ziet men iemand ten voeten uit. Er zijn ook hele gezinnen als herders geportretteerd, geplaatst tegen een decor van malse vegetatie en zoet knabbelend vee. Dergelijke schilderijen moesten duidelijk maken hoe mooi het was om tot de harmonieuze hoeksteen van de samenleving te behoren.

Als derde beeldtype zijn de grote figuurstukken ten halve lijve vertegenwoordigd. Daarop zien we van zeer nabij en op behoorlijk groot formaat pastorale figuren, dat wil zeggen gedealiseerde herders en herderinnen, herkenbaar aan hun staf, maar verder luxueus gekleed. Omdat de personages zo vooraan in het beeldvlak zijn geplaatst, omdat ze door helder licht beschenen tegen een donkere achtergrond zijn geplaatst en ze bovendien de beschouwer aankijken, gaat er een grote directheid van deze schilderijen uit. Vooral van de vrouwen met hun rode, vaak half geopende mond, de heldere ogen en gouden haren. Als deze schilderijen tegenwoordig nog zo'n indringend effect hebben, hoe moet dat dan in het begin van de zeventiende eeuw zijn geweest? Wie heeft ze gemaakt en voor wie? Waar haalde men de inspiratie voor deze zorgeloze, heldere en erotische schilderijen vandaan?

Venetië

De catalogus maakt duidelijk hoe sterk de ontwikkeling van deze thema's samenhangt met voorbeelden van Venetiaanse schilders, met name Titiaan en Giorgione, die hier vaak via prenten bekend raakten en in eerste instantie door graveurs als Goltzius en De Gheyn werden overgenomen. Daarnaast is er een direct verband met de literatuur. De belangstelling voor klassieke auteurs past in het ruimere kader van de Renaissance, maar juist de pastorale teksten van Theocritus, Vergilius, Horatius en Ovidius bevatten een thema dat ook nog een actueel karakter had. De pastorale vredigheid, het onbedorven leven op het land wordt daarin gesteld tegenover het stad- en het hofleven, dat synoniem wordt met drukte, lawaai en kuiperijen. In een Nederlandse vertaling van Horatius uit 1610 heet het over de hoveling dat hij "verblind met staat-zucht heel beset, snackt na een hand vol wind'. Holland ontwikkelde zich tot het sterkst geurbaniseerde gebied van Europa en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden begon een steeds belangrijker rol in de Europese politiek te spelen. De stedelijke elite in Nederland werd dan ook steeds vaker geconfronteerd met grootsteedse drukte en bestuurlijke beslommeringen. De vlucht uit die drukte, of althans het verlangen daarnaar, valt dan ook net als in het oude Rome te bespeuren in Holland. Concreet vluchtte men naar het land door het kopen of bouwen van buitenhuizen en het aanleggen van tuinen. Verder schreef of las men pastorale teksten waarin het landleven wordt verheerlijkt. En tenslotte kon men het landleven dichtbij halen door middel van schilderijen.

Constantijn Huygens

Degene die het meest uitgesproken het stad-land dilemma verpersoonlijkte was Constantijn Huygens. Zijn nog altijd bestaande huis Hofwijck bij Voorburg is daar in naam en plaats de uitdrukking van. Maar ook in zijn talloze gedichten op dit thema, waarbij hij zijn doordeweekse verlangen naar zijn buitenhuis beschrijft. Huygens was als weinig anderen ingevoerd in de kunst van zijn tijd en kende ook vele schilders persoonlijk. Huygens introduceerde het pastorale schilderij aan het stadhouderlijk hof en de kringen daaromheen.

Het genre van de pastorale halffiguren had zich ontwikkeld in Utrecht. Een kleine groep schilders, onder wie Paulus Moreelse, Gerard van Honthorst, Dirck van Baburen, die vrijwel allen in Rome hadden gewerkt en een tic van de Italiaanse kunst en vooral van Caravaggio hadden opgelopen maakten het genre volwassen. Het Arcadië van deze schilders ligt natuurlijk in niemandsland, het is een ideaal oord, een droom. Maar terwijl de pastorale landschappen op deze tentoonstelling iets zuidelijks hebben, iets Italiaans, bieden de pastorale halffiguren geen direct aanknopingspunt voor een mogelijke locatie. Vaak is er niet eens een decor, alleen een min of meer donkere, monochrome achtergrond, bedoeld om de lichte huid nog blanker te doen uitkomen. En dan de personages zelf, de herders en herderinnen, ze zien er altijd blond en blozend uit en zijn stevig van postuur. De modellen zullen dan ook zeker Hollands zijn geweest. Maar de schilderijen zijn onhollands van sfeer. Van eigenschappen als ingetogenheid en huiselijkheid, waarmee de Hollandse schilderkunst vaak wordt geassocieerd, is hier niets te bespeuren.

Lachen

Bij de schilderijen van herders en herderinnen ten halve lijve die nu in het Centraal Museum hangen is het alsof iemand het raam heeft opengezet en de lentelucht laat binnen komen. Er wordt gezongen en gedanst, de panfluit klinkt, de tamboerijnen rinkelen en, wat op schilderijen uit deze tijd zelden te zien is: er wordt gelachen. Misschien mag men deze schilderijen opvatten als vrijplaatsen. Niet alleen omdat ze een onbedorven buitenleven en onbedorven karakters tonen, maar ook omdat hier geen protestantse moraal uit spreekt, die toch altijd een dempende werking op al te grote uitbundigheid uitoefende. Heeft hier het katholieke klimaat dat in Utrecht meer dan in andere steden aanwezig was een rol gespeeld?

De enige plek op Nederlandse schilderijen waar ook vrijuit gelachen wordt komt eveneens voor op voorstellingen van het buitenleven, maar die zijn van een geheel ander karakter. Dat gebeurt op de taferelen van boeren en boerinnen, die zich, krom en knoestig, in de herberg vermaken met bier, vedel en pijptabak. Daar zien we tandeloze tronies en onbeholpen dansjes, het absolute negatief van de pastorale, waar de bewegingen sierlijk zijn en de lach altijd parelt.