Shane MacGowan

In het vreemdelingenlegioen van de rock 'n' roll is hij beslist een van de vreemdste: Shane MacGowan, de voormalige zanger en songdichter van de Londons-Ierse groep The Pogues, die met hun licht ontvlambare mengsel van traditionele Ierse folk, buikdansmelodieën en punk-houding op de popcultuur van de jaren tachtig het effect hadden van een peloton Hell's Angels op een tuinfeestje in Glamourland.

Zijn gezicht, dat kan geen incidentele baardgroei verhullen, is helemaal geen gezicht, maar een uit stopverf en verwondering geboetseerd masker dat hij voor zijn eigenlijke gezicht houdt - dat te verschrikkelijk is om de wereld te tonen en waarvan, in gaten uitgespaard in het masker, alleen de door de rottende runes van een gebit omzoomde mondholte en wijd opengesperde ogen zichtbaar zijn. De eerste keer dat ik een foto van Shane zag, moest ik denken aan een verhaal dat ik als kind in de Illustrated Classics had gelezen, over een mismaakte jongen die zijn brood verdiende als kermisattractie, tot iemand hem op straat in blinde drift doodsloeg omdat hij weigerde die grijns van zijn gezicht te halen, maar die grijns was zijn gezicht.

Wanneer je goed naar zijn songs luistert (op elpees als Rum Sodomy & The Lash en If I Should Fall from Grace With God die tot het beste behoren wat de popmuziek van de afgelopen tien jaar heeft opgeleverd), dan weet je ook waar je dat gezicht eerder hebt gezien: op alle schilderijen die verbeelden wat zich in de goot van de Europese geschiedenis heeft afgespeeld, als het gezicht van het jongetje dat ergens in een hoekje toekijkt om het na te kunnen vertellen. De verschrikkingen van de oorlogen uit het begin van deze eeuw: de met bloed, modder en wanhopig door elkaar wriemelend kanonnevlees gevulde loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, zoals Céline die heeft beschreven, en het blinde gehak, het uiteengespat en het koudvuur van de Krim. Gevechten van man tegen man: vingers die ogen zoeken, tanden die oren zoeken, bajonetten die, tegen de weerstand van uniform en weerbarstige botten in, als kille gedachten een weg zoeken naar het hart. In blood and death ”neath a / Screaming sky / I lay down on the ground / And the arms and legs of other men / Were scattered all around / Some cursed some prayed / Some prayed then cursed / Then prayed and bled some more. De plagen van de Middeleeuwen, het zingen van de guillotines, de in het zwart-wit van roet en regen gefotografeerde mijnrampen in Wales, hij stond er met zijn neus bovenop, en spitste ondertussen zijn oren voor de stemmen die over het water van de wrede zee hierheen gedragen werden, met hun verhalen van scheurbuik, schipbreuk, malaria en piraten die hun smerige adem in je gezicht blazen voor ze je aan de haaien voeren. I come, old friend, from hell tonight / Across the rotting sea. Shane is de kleine trommelslager, ketelbinkie, een weeskind van duizend jaar oud, de ”blue-eyed-son' en ”darling-young-one' die door Bob Dylan wordt ondervraagd in ”A Hard Rain's Gonna Fall', en het wordt nog erger.

Voor een krat whiskey en een matje acid heeft hij in zijn slaapkamer de demonen recht van overpad gegeven bij hun doortocht van en naar de hel. In zijn delirium perpetuum ziet hij geen muizen of salamanders tegen de poten van zijn bed opkruipen, maar lang geleden vermoorde mannen en vrouwen die hun schuld komen innen. Wanneer hij zich uitstrekt op het gras van het land van herkomst, moedertje Ierland, om de geur van verbrande turf en illegaal gestookte drank in zich op te kunnen zuigen, dan beeft de aarde van het kanongebulder en de hardgrondige verwensingen van wie eronder begraven ligt.

Romantiek is er, terug in de straten van London waar ”streams of whiskey' in ”rivers of piss' veranderen, alleen in stegen en portieken wordt duur betaald. In the dark of an alley you'll work for a five / For a swift one off the wrist / down on the old main drag. Dus, waarom zou je er dan zo geweldig vrolijk van worden, van de songs van Shane MacGowan en The Pogues?

Wegens de sterk op het gemoed werkende muziek, die noodt tot biermorsend hossen of, bij de ballades, tot verbroederend meebrullen. Wegens de tongen die uit- en vingers die ópgestoken worden naar de bangen en braven en schijnheiligen. Maar vooral wegens de kracht van de taal van Shane, die de taal is van Dylan Thomas, van Yeats en Behan en James Joyce, de rijke taal waarin de doden, die niet meer op geur en kleur hoeven te beknibbelen, elkaar, en, niet minder breedsprakig, de levenden toespreken, nee: toezingen, als op een fiësta, een carnaval. Wat er gevierd wordt is dat de dood net zo min het einde is als geboorte het begin. Niet van het leven in ieder geval, dat helemaal geen tijd heeft om stil te staan bij wat er met ons gebeurt. Als je om wat voor reden dan ook niet meer mee kan, ook goed, dan maar zonder jou, je stond eigenlijk toch alleen maar in de weg.

Die spanning, tussen wat jammerlijk vergaat (wij) en wat blijft (wij niet), die het kwik in ons bloed is, doet de stembanden van Shane MacGowan trillen en niet de existentiële kleinzerigheid die de doorsnee sombermans-met-gitaar beweegt. Hij zingt niet met de gekwetste stem van de in zichzelf gekeerde ”loner', maar, zoals elke echte folksinger van Homerus tot Woody Guthrie, met de onverwoestbare stem van ”everyman'. Een stem die zich niet stoort aan sluitingstijden. Zoals je ook drinkt en drinkt tot je niet meer kan en dan gewoon verder drinkt, haal je alles uit het leven wat erin zit, en als het op is, haal je het uit de dood.

    • Roel Bentz van de Berg