Rijzende ster

Benjamin Journaal, nr 1. Uitg. Historische Uitgerij, Groningen, 144 blz. Prijs ƒ 27,50. Jaarabbonnement (2 nrs.) ƒ 50,- door overmaking op Postbankrekening 505161, t.n.v. Internationale Walter Benjamin Stichting, Amsterdam.

In juni 1928 werkt de filosoof Walter Benjamin korte tijd in het Goethe-archief te Weimar. Vlak voor zijn vertrek stuurt hij een ansichtkaart naar zijn vriend Alfred Cohn. De kaart staat afgebeeld op het eerste nummer van het vorige week gepresenteerde en fraai uitgegeven Benjamin Journaal, dat volgens het redactioneel twee keer per jaar "verslag wil uitbrengen van de verbazingwekkende actualiteit van een denker die tot voor enige jaren vergeten leek te zijn.' Dit laatste is misschien wat overdreven, maar ongetwijfeld werd Benjamin lang overschaduwd door denkers als Sartre, Marx en Marcuse, die zich beter leenden voor daadkrachtige politieke actie.

Daarvoor was Benjamin te beschouwelijk en te introvert, ook al was hij in de loop van de jaren twintig door het marxisme aangeraakt en wordt hij nog altijd tot de Frankfurter Schule gerekend. Zijn meest historisch-materialistische geschriftje, Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid, behoorde met zijn geharnaste titel tot de verplichte literatuur van menige linkse studiegroep. Met Benjamins mystieke en kabbalistische hang, zijn belangstelling voor de romantiek en zijn neiging tot bezonken observatie wist men minder goed raad.

Naarmate de ster van de politieke meesterdenkers daalde, rees die van Benjamin, gestimuleerd door de publikatie van zijn onvoltooide studie over het 19de-eeuwse Parijs in het begin van de jaren tachtig. Dit "Passagen-werk' was in feite niet meer dan een enorme verzameling notities en citaten, maar juist daarom was het wonderwel geschikt voor de hedendaagse filosofie waarin fragmentarisering zo'n grote rol speelt.

En zo werd vorig jaar in Amsterdam een "Internationale Walter Benjamin Stichting' opgericht, met een nogal stoutmoedig programma van boeken, vertalingen, lezingen, congressen en studiebundels. Het nu verschenen Journaal is er het eerste tastbare resultaat van, en als dat kenmerkend is voor wat de Stichting beoogt, mag men een mengsel verwachten van het beste en het slechtste dat de academische cultuur nu te bieden heeft.

Als bij een sandwich zitten de meest smakelijke ingrediënten in dit nummer tussen de weeëre onderdelen geperst. Het dieptepunt van orakelend academisme wordt bereikt in het slotartikel van literatuurtheoretica Helga Geyer-Ryan, die met behulp van psychoanalyse, semiologie en vrouwelijke allegorieën Benjamin (gunstig) doet afsteken naast de Belgisch-Amerikaanse deconstructivist Paul de Man.

Boeiend is dit eerste nummer pas wegens de toelichting van Paul Koopman bij Benjamins ansichtkaart aan Cohn, en vooral het schitterende opstel van Gerard Visser over Benjamins mystieke opvatting van de geschiedenis. Het opstel begint traag, maar wordt gaandeweg trefzekerder en aangrijpender, om bijna melancholiek te eindigen. Het zegt, toont en suggereert in één vloeiende beweging wat het bedoelt, en mag daarmee een toonbeeld heten van wat filosofische essayistiek zou moeten zijn.