Oorlog

Rita Verschuur: Hoe moet dat nu met die papillotten. Uitg. Van Goor, ƒ 22,50. Vanaf 10 jaar.

Gila Almagor: Awá's zomer. Vert. Shulamith Bamberger. Illustraties René Pullens. Uitg. Elzenga, ƒ 22,90. Vanaf ca. 11 jaar.

Jarenlang publiceerde ze onder de naam Rita Törnqvist, maar voor haar nieuwste boek gebruikt ze haar meisjesnaam Rita Verschuur. In Hoe moet dat nu met die papillotten kijkt de schrijfster namelijk terug op de oorlogsjaren, op de tijd dat ze zelf nog een kind was.

Haar herinneringen tekende Rita Verschuur op in een honderd korte schetsen. In 1940 is Rita nog maar vier jaar en ze is zo gefascineerd door de vliegtuigen en de commotie op straat dat ze uitroept: "Ik wou dat het altijd oorlog was!' Maar al heel gauw is er niets meer over van dat enthousiasme: het gevaar, belichaamd door de Duitsers, loert aan alle kanten, zelfs in de zandbak, zo veronderstelt ze.

Is in de vroegste herinneringen van Verschuur de oorlog nog prominent aanwezig, een tijdlang raakt deze op de achtergrond. Het nieuwe is eraf, de bezetting behoort tot het leven van alledag, en daarin beginnen huiselijke aangelegenheden een steeds grotere rol te spelen: in 1943 besluiten Rita's ouders uit elkaar te gaan, er komt een nieuwe "tante' in huis, een strenge vrouw die na verloop van tijd ook nog eens Rita's "moeder' wordt. Maar zoals het kind gewend is geraakt aan de oorlogssituatie, zo leert ze ook te leven met de aanwezigheid van "moeder'. Voor de inmiddels achtjarige Rita staat het laatste jaar van de oorlog in het teken van ontberingen, van tulpebollen eten, niet meer naar school gaan, hoofdluis en schoenen waar de neuzen uit zijn gesneden omdat ze eigenlijk te klein zijn.

Het merendeel van de schetsen in schreef Verschuur pas op in 1991. De manier waarop ze zich weet te verplaatsen in haar eigen kindertijd dwingt bewondering af. In korte, kinderlijke zinnen, die door het gebruik van de tegenwoordige tijd het verleden extra dichtbij halen, geeft ze weer hoe ze als kind tegen de gebeurtenissen aankeek; doordat ze verklaringen en conclusies achteraf achterwege laat, en zo min mogelijk verhaaltechnische ingrepen pleegt, is de schijn van authenticiteit sterk. De enige merkbare stilering zit hem in het eind, als Rita erachter komt dat de blauwe steentjes, "turkwaasjes', die ze jarenlang in de tuin van haar grootouders tussen het grind heeft gezocht en gevonden, er opeens niet meer zijn: haar opa strooide ze er zelf tussen, maar voor dit soort flauwekul is ze nu te groot geworden. Hoe dan ook, volwassen is ze nog lang niet: om conclusies te verbinden aan de vriendschap van haar mamma met een Canadese soldaat, moet je een beetje cynisch zijn. En dat is nu precies wat Rita Verschuur in deze sfeervolle jeugdherinneringen heeft weten te omzeilen.

Eveneens autobiografisch is Awá's zomer van Gila Almagor, dat zich afspeelt in het Israël van de jaren vijftig. Awá is opgegroeid in een kindertehuis omdat haar moeder, een Poolse die in de oorlog met de partizanen heeft meegevochten, wegens haar kampervaringen lange tijd in een inrichting heeft moeten doorbrengen; haar vader is al voor haar geboorte gestorven. In de zomer dat Awá tien jaar oud wordt, haalt haar moeder haar weg uit het kindertehuis omdat het kind luizen blijkt te hebben. Luizen, daar weet moeder alles van en er is volgens haar maar één oplossing: kaalscheren, die kop. Terugkijkend concludeert Almagor dat "die hele zomer in het teken van dat kale hoofd kwam te staan' - een onheilspellende zin, die een reeks tragische gebeurtenissen inluidt. In haar nieuwe omgeving is Awá een buitenbeentje, niet alleen wegens haar uiterlijk maar ook wegens haar gekke moeder, naar wie ze steeds meer toe groeit omdat ze er allebei niet bij horen. Tussen Awá, die al vroeg leert wat haar verantwoordelijkheden zijn - ze doet er alles aan om te voorkomen dat haar moeder "toevallen' krijgt - en haar kwetsbare moeder, die als het erop aankomt echter nog steeds strijdbaar kan optreden, ontstaat een gecompliceerde maar intense band, door Almagor met zeer veel liefde en overtuigingskracht beschreven. Onder de titel The summer of Avyia werd het boek in 1988 verfilmd, met Almagor in de rol van de moeder, en dat resulteerde in diverse prijzen, waaronder de Nederlandse Cinekid-prijs. Ook de Nederlandse uitgave van het boek verdient het om niet onopgemerkt te blijven.