Onderzoekers op jacht naar aids-vaccin

BERLIJN, 11 JUNI. Het testen van de effectiviteit van vaccins bij infecties met het aidsvirus (HIV) zal eind volgend jaar of begin 1995 kunnen beginnen. Onderzoekers zouden nu vast een opzet moeten maken voor zulke tests.

De afgelopen jaren is er aanzienlijke voortgang geboekt en er zijn al veel studies verricht naar de mogelijke schadelijkheid van zo'n vaccin bij gezonde vrijwilligers. De vaccins zijn ook beproefd bij meer dan 1.000 vrijwilligers die door hun levensstijl een verhoogd risico lopen.

Dat zei prof.dr. D. Bolognesi van het Duke University Medical Center in North Carolina gisteren op de negende internationale conferentie over aids, die deze week in Berlijn wordt gehouden.

Kandidaat-vaccins hebben de afgelopen jaren laten zien nauwelijks in staat te zijn het afweerapparaat zodanig actief te maken, dat het HIV met succes kan aanpakken. De nieuwste generatie blijkt echter het immuunsysteem zover te kunnen krijgen, dat het immuniserende anti-lichamen produceert en zogeheten cytotoxische T-lymfocyten. Die laatste groep witte bloedcellen is in staat genfecteerde cellen aan te pakken en af te voeren. Dat is belangrijk omdat HIV juist het afweerapparaat ondermijnt.

Bij vaccinatie gaat het er om dat het afweerapparaat wordt geconfronteerd met een binnendringer die het vanaf dat moment herkent en onschadelijk kan maken. Zo kan een ziekte bij voorbaat worden voorkomen. Het afweerapparaat confronteren met een levend micro-organisme (zoals een bacterie of een virus) heeft geen zin, want dan wordt de gevaccineerde gewoon ziek. Om het immuunsysteem met de binnendringer te confronteren zonder het lichaam ziek te maken bestaan een aantal mogelijkheden. Er kan een levend, maar verzwakt virus worden toegediend, of een dood virus. Er kunnen ook deeltjes van het virus worden toegediend die het immuunsysteem voldoende herkenningspunten geven, terwijl ze toch niet in staat zijn de gevaccineerde ziek te maken. Daarnaast is er bij voorbeeld nog de mogelijkheid een bacterie of virus waartegen de gevaccineerde al immuun is als voertuig te gebruiken. Dat voertuig krijgt dan een paar onschuldige, maar zeer duidelijke herkenningstekens van HIV mee.

Die laatste vorm blijkt nu hoopgevend. Een "pokkenvector', getooid met de buitenkant van het HIV, sorteerde bij een eerste toediening nauwelijks effect, maar toen daarop een anderssoortige vaccinatie volgde, bleek die een sterke reactie op te wekken, zeker als die drie tot vier keer werd herhaald. Die anderssoortige vaccinaties bestaan uit toediening van "subunits', bolletjes met op de buitenkant deeltjes van het virus die niet in staat zijn een cel binnen te dringen en daar verwoestend werk te doen.

Volgens Bolognesi zijn er drie van deze kandidaat-vaccins van verschillende producenten die geschikt zijn voor onderzoek op grotere groepen mensen die chronisch genfecteerd zijn. Anders dan het "klassieke vaccin' gaat het hier dus om het opwekken van een sterke immuunreactie, terwijl mensen vaak al jaren genfecteerd zijn en al dan niet verschijnselen van aids tonen. Dat bij die mensen nog een boost van het immuunapparaat zou kunnen worden bereikt werd tot nu toe voor onmogelijk gehouden. De "klassieke vaccinatie' lijkt alleen bij apen doenlijk, bij mensen niet.

Bolognesi wees er op dat deze opties wellicht hoopgevend zijn, maar dat nog moet blijken of de vaccins iets uitrichten op het grote aantal verschillende HIV-stammen dat onder genfecteerden voorkomt. HIV is in staat snel en veelvuldig van uiterlijk te veranderen en dus is het de vraag in hoeverre het vaccin dan nog lijkt op het virus zoals dat bij verschillende patiënten voorkomt. Daarnaast is een probleem dat het virus zich veelvuldig en zeer lang schuilhoudt in cellen (T-cellen en macrofagen, die deel uitmaken van het afweerapparaat), zodat het systeem niet in staat is HIV op te sporen. Een ander probleem is dat infectie plaatsheeft via het slijmvlies en de bloedbaan. Juist in het slijmvlies is het immuunsysteem niet in staat optimaal te functioneren en dus is het moeilijk daar een "klassiek vaccin' voor te maken. Om die reden is er bij voorbeeld ook nog altijd geen vaccin tegen gonorroe.

Mocht er een effectief "echt' vaccin komen, dan zal het nog jaren duren voordat de infectie-graad binnen een bevolking daadwerkelijk gaat dalen, zei gisteren dr. Walther Dowdle van de Centers of Disease Control in het Amerikaanse Atlanta. Het zal een grote opdracht zijn dat aan de bevolking duidelijk te maken, zei hij. “Aids verdwijnt daardoor niet.”

Dowdle heeft een simulatie-model gebruikt om te zien welk deel van de bevolking een "klassiek vaccin' zou moeten krijgen dat effectief werkt tegen alle virusstammen, als dat er ooit komt. Hij is uitgegaan van een ontwikkelingsland, waar twee procent van de bevolking is genfecteerd, en een gendustrialiseerd met een infectie-graad van 0,5 procent. In een gendustrialiseerd land zou driekwart van de pubers en de volwassenen die een hoog risico lopen (zoals homoseksuelen en spuitende druggebruikers) moeten worden gevaccineerd. In ontwikkelingslanden, waar de overdracht voornamelijk via heteroseksueel verkeer plaatsheeft, zou 75 procent van álle pubers en volwassenen moeten worden ingeënt. Maar misschien is een nog veiliger optie iedereen vanaf tien tot twaalf jaar op school te vaccineren nog voor sprake is van seksuele activiteit.

Het succes van zulke inentingscampagnes hangt wel sterk af van het idee dat mensen zelf hebben over hun besmettingsrisico. “De acceptatie van zo'n vaccinatie is op geen enkele manier verzekerd”, aldus Dowdle, “en zeker niet in landen waar aids wordt gezien als andermans probleem.”