Niet bestand tegen poeders en pillen; Biografie over The Band

Wie vijfentwintig jaar geleden de plaat Music From Big Pink van The Band opzette, hoorde nieuwe muziek. Het was popmuziek, want er werd gezongen en soms hoorde je een elektrische gitaar. Maar daarmee hielden de overeenkomsten met het dominerende genre van die dagen op. De tweede plaat was nog beter, maar met de derde plaat, begon de neergang van de Canadees-Amerikaanse groep al. Hoe kwam het dat het zo gauw was afgelopen?

Barney Hoskyns: Across The Great Divide. The Band and America. Uitg. Viking, 439 blz. Prijs ƒ 58,45

Het is deze zomer vijfentwintig jaar geleden dat een van de opzienbarendste platen uit de geschiedenis van de popmuziek verscheen: Music from Big Pink. Op de binnenkant van de hoes stond een landelijke groepsfoto van vijf muzikanten, ontspannen poserend temidden van hun familieleden. Dit was geen acid-rockgroep, dat was wel zeker. Op een andere foto keken de leden van de naamloze band de toeschouwer uitdrukkingsloos aan. Ze hadden hoeden op en de achtergrond liet heuvels zien. Country and western misschien?

Wie de plaat opzette, hoorde nieuwe muziek. Het was popmuziek, want er werd gezongen en zo nu en dan hoorde je een elektrische gitaar. Maar daarmee hielden de overeenkomsten met het dominerende genre van die dagen op. De muziek van Big Pink - zo genoemd naar een rozegeverfd houten huis in de heuvels bij Woodstock waarin de band repeteerde - was somber, melodieus en mysterieus. De zangers hadden stemmen die veel op elkaar leken, maar na een tijdje ging je ze herkennen. De zwarte stem van pianist Richard Manuel, het wat hogere geluid van bassist Rick Danko en de zuidelijke intonatie van drummer Levon Helm. Soms zongen ze in koor, soms namen ze zinnen of coupletten van elkaar over, in een aan de gospelmuziek herinnerend vraag- en antwoordspel. De instrumentatie werd gedomineerd door eenvoudige pianoakkoorden en vooral door een orgel dat voortdurend zocht naar harmonie en contrapunt. Garth Hudson heette de organist met het brede voorhoofd en de wijkende haargrens. De drummer maakte spaarzaam gebruik van zijn instrument, maar elke slag op zijn trommels had een bedoeling. Levon Helm is de enige drummer die je aan het huilen kan krijgen, schreef criticus John Carroll, en wie luisterde naar "The Weight', of "Tears of Rage' begreep waar Carroll het over had. Robbie Robertson, de informele leider van de groep en de meest produktieve songwriter, speelde gitaar. Soms werd zijn instrument op een vreemde wijze elektrisch vervormd.

De nummers waren ook al zo vreemd. Love-songs ontbraken, het waren duistere ballades, vol noodlot, schuld en drukkende verplichtingen. Wie gevoelig was voor de zwaarmoedige poëzie van de muziek, was verloren. Bij elke beluistering won de plaat aan kracht. Je hoorde nieuwe noten, flarden van de duistere teksten kregen betekenis en in je hoofd zong de muziek de hele dag door.

In de herfst van 1969 verscheen de tweede plaat van The Band, zoals de groep bleek te heten. Het wonder gebeurde, de plaat (The Band) was nog beter dan zijn voorganger. De muziek was transparanter en er was een duidelijk thema: alle nummers gingen op de een of andere manier over Amerika, over zijn geschiedenis, de armoede op het platteland, de oogst, het bittere lot van de Dixies in de Burgeroorlog. Het was, schreef Ralph Gleason in zijn bespreking van de plaat in Rolling Stone, alsof er een soundtrack was gemaakt bij Let us now praise famous men, de reportage van James Agee en Walker Evans over de arme boeren in Alabama. De melodieën waren in vergelijking met de eerste plaat minder toegankelijk maar de muziek was nog rijker en verrassender. De volkomen afwezigheid van aanstellerij, de rijke instrumentatie die nieuw was zonder gewild te zijn, de thematiek die nooit verviel tot naturalisme - dat alles maakte The Band tot een hoogtepunt van de popgeschiedenis.

De live-optredens van de groep waren adembenemend. In juni 1971 maakte de groep een tournee door Europa en deed ook Amsterdam en Rotterdam aan. Eindelijk kregen we die muzikanten ook te zien en we sloegen de beelden in ons geheugen op. Levon Helm, die drumde als een bezetene, zijn hoofd omhoog gericht om de treurige coupletten van "The night they drove old Dixie down' in de microfoon te schreeuwen. Garth Hudson, de mad professor van het gezelschap, die zijn wonderlijke orgelgeluiden door alles heen weefde. Richard Manuel speelde piano, drumde als het zo te pas kwam en zong de melancholiekste nummers. Richard Danko die een fretloze basgitaar bespeelde. Robbie Robertson had een colbertje aan en een brilletje op. Zijn gitaarsolo's waren kort, fel en huiveringwekkend mooi. Na afloop verlieten wij geschokt het Concertgebouw. Dat The Band goed was, wisten we al. Maar zo goed, daar waren we niet op voorbereid.

Einde

In 1976 nam de groep afscheid van zijn publiek. De plaat en de film (The Last Waltz) kwamen twee jaar later uit. Het definitieve einde kwam op 4 maart 1986. In een motelkamer in Florida dronk Richard Manuel een fles Grand Marnier leeg, snoof nog wat coke en hing zichzelf op aan de stang van het douchegordijn.

Across the great divide, het boek dat de Brit Barney Hoskyns over The Band schreef, neemt de tragische zelfmoord van Manuel als uitgangspunt. Nu is de geschiedenis voltooid, heeft Hoskyns gedacht: tijd voor een terugblik. In meer dan 400 pagina's volgt een gedegen biografie van de groep. De geschiedenis begint met de periode 1961-1965, waarin de rocker Ronnie Hawkins achtereenvolgens Helm, Robertson, Danko, Manuel en Hudson in zijn band ("The Hawks') haalde. Helm kwam uit Arkansas, de overigen werden in Canada gerecruteerd toen Hawkins daar zijn tenten had opgeslagen. In 1965 hadden The Hawks genoeg van de tirannieke Hawkins en begonnen voor zichzelf. Niet voor lang, want na Hawkins kwam Dylan. Bob Dylan had in 1965 op het Newport Festival zijn elektrisch versterkte debuut gemaakt en zo slecht als dat bij zijn fans was gevallen, zo opgetogen was de meester zelf over deze vernieuwing. Hij zocht een begeleidingsgroep waarmee hij op tournee kon gaan en zijn keuze viel op The Hawks. In '65 en '66 toerde Dylan met The Band door Amerika en bijna overal gaf het publiek luidruchtig blijk van zijn afkeer van het elektrische geweld. Na de tournee vestigde Dylan zich in Woodstock, kreeg zijn beroemde motorongeluk, en nam samen met The Band in de kelder van hun roze clubhuis een grote hoeveelheid nieuwe nummers op, die eerst als bootleg opdoken (Great White Wonder, 1969) en veel later als The Basement Tapes (1975) officieel werden uitgebracht.

Wat het precies was dat Robertson en de zijnen ertoe bracht om vervolgens een geheel eigen weg in te slaan, waar ze de muziek vandaan haalden die op het Big Pink-album terecht kwam, dat blijft het raadselachtige van The Band. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de eenheid die zo kenmerkend was voor hun muziek het resultaat was van het jarenlange rondtrekken met Hawkins, zoals het ook voor de hand ligt dat hun zwaarmoedige poëzie vooral onder invloed van Dylan tot uitdrukking kwam. Hoskyns oppert dat uit het conflict tussen Robertsons eigen voorkeur voor traditionele rhythm & blues en de nieuwe weg die Dylan wees iets nieuws ontstond, een muziekvorm die Robertson steeds duidelijker voor zich zag. Al eerder heeft Greil Marcus in zijn boek Mystery Train gewezen op het belang van de Canadese factor: het was geen toeval dat een in meerderheid Canadese band zo'n onbevangen oog had voor de schoonheid, de geschiedenis en de muziek van Amerika. Het blijven allemaal theorieën en het raadsel van die plotselinge creativiteit kunnen ze niet oplossen.

Hoskyns geeft wel een antwoord op de andere vraag die de liefhebber van The Band-muziek altijd heeft gekweld: hoe kwam het dat het zo gauw was afgelopen? Achteraf gezien is de geleidelijke neergang van de groep immers al met hun derde plaat (Stage Fright, 1970) begonnen. Die plaat was veel toegankelijker dan de eerste twee (hij kreeg ook onmiddellijk een Edison), bevatte prachtige nummers, maar miste de kracht en de verrassingen van zijn voorgangers. Ook de latere platen haalden nooit meer het niveau van de eerste twee. Live bleef de The Band een van de beste groepen ter wereld, zoals op The Last Waltz, en vooral op Rock of Ages (1972) is te horen. Maar nieuw materiaal van enige betekenis produceerde de groep niet meer.

Drank

De verklaring van Hoskyns voor de impasse waarin de groep raakte is ontluisterend: drank, drugs en verveling. The Band mocht dan een aardse indruk maken, in alles het tegendeel schijnen van groepen als The Grateful Dead of The Velvet Underground, ook zij bleken niet bestand tegen het plotselinge succes en de verlokkingen van de fles, de pillen en het poeder. Manuel was een chronisch alcoholist, Helm hield het bij drank en slaappillen, Danko snoof en slikte alles wat hij in handen kon krijgen. Alleen Hudson en Robertson bleven betrekkelijk clean. Vooral de langzame verloedering van Manuel was desastreus voor The Band. Op de eerste twee platen schreef hij nog een paar van de mooiste nummers (zoals "We can talk' en "Whispering Pines') maar de drank verwoestte zijn compositorisch talent. Robertson werd steeds meer gedrongen in de rol van oppasser en uiteindelijk bedankte hij voor die eer.

Na het uiteengaan van The Band hebben de afzonderlijke musici nooit meer iets van betekenis geproduceerd. Robertson begroef zich in pretentieuze solo-projecten, en ook Helm en Danko maakten een paar weinig opzienbarende platen. De hereniging van The Band in 1983 - Robertson deed niet mee - kwam met de dood van Manuel tot een abrupt einde.

Het is alles bij elkaar een deprimerende geschiedenis en lezing van het boek van Hoskyns laat The Band-aficionado niet onberoerd. Troost verschaft alleen de platenkast. The Band is dood, maar zijn muziek is onsterfelijk.