Nederland mag beslag leggen op Russisch staatseigendom

DEN HAAG, 11 JUNI. Het Nederlandse bedrijfsleven, dat circa 700 miljoen gulden tegoed heeft van de Russische Federatie, krijgt van de Nederlandse rechter definitief het groene licht om beslag te leggen op Russische staatseigendommen in Nederland.

Dit blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden van 28 mei. Bedrijven kunnen niet alleen beslag leggen op schepen, maar ook op vliegtuigen, treinen, gebouwen van handelsmissies en andere onroerende goederen. Alleen het ambassadegebouw zou de dans ontspringen.

Van de totale achterstallige vordering van het bedrijfsleven op de Russische Federatie is ongeveer de helft door de staat gegarandeerd via de Nederlandse Credietverzekeringsmaatschappij (NCM). De juridische optie zal naar alle waarschijnlijkheid worden gebruikt door bedrijven die niet bij de NCM waren verzekerd en hun risico derhalve niet op de staat kunnen verhalen.

Het gaat daarbij om vijftig ondernemingen die in een commissie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen onderling overleg voeren over hun vorderingen. Onder deze bedrijven, die bij elkaar 350 miljoen gulden te goed hebben, bevinden zich Philips, Elsevier, Bols, Cebeco en de Internationale Nederlanden Groep (ING). Tot dusver hebben deze bedrijven vooral de "koninklijke' weg van diplomatieke druk bewandeld. Of zij na de uitspraak van de Hoge Raad de juridische weg overwegen is nog onbekend.

Volgens een woordvoerder van het ministerie van financiën zijn alle bedrijven met een achterstallige vordering op de Russische Federatie die via de NCM verzekerd zijn inmiddels schadeloos gesteld. Hun vorderingen berusten nu dus bij de staat. De staat probeert via diplomatiek overleg (de club van Parijs) tot een oplossing te komen, en wil vooralsnog geen beslag leggen op Russische eigendommen in Nederland.

De uitspraak vloeit voort uit een procedure die de kleine handelsfirma Pied-Rich uit Amsterdam vorig jaar begon tegen de Russische Federatie. Pied-Rich bedreef met Rusland een complexe vorm van ruilhandel waarbij het bedrijf Russische schepen wereldwijd voorzag van vracht. In ruil daarvoor kreeg Pied-Rich het recht textiel te exporteren naar de Russische Federatie. Toen de geleverde textiel niet werd betaald stelde Pied-Rich de Russische Federatie in gebreke.

Bij het Hof van arbitrage in Moskou werd door Pied-Rich een procedure begonnen om het geld - acht miljoen gulden - alsnog te krijgen. Vooruitlopend op de uitspraak liet Pied-Rich op 14 juni 1992 in Rotterdam beslag leggen op het vrachtschip Kapitan Kanevski.

Pag 14: "Beslaglegging geen aantrekkelijke optie'

Dat schip, eigendom van de Russische staat, is geleased door de Baltic Shipping Company. De Russische Federatie, bevreesd dat hiermee een precedent werd geschapen, spande een kort geding aan bij de Rotterdamse rechtbank, maar werd op 3 juni 1992 in het ongelijk gesteld. Een hoger beroep bij het gerechtshof in Den Haag leverde op 5 augustus 1992 evenmin resultaat op. De uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 1993 velde het definitieve oordeel.

Keer op keer voerde de Russische Federatie aan dat de Russische staat, voor zover betrokken bij deze transactie, als overheid optrad en het algemeen belang verdedigde. Goederen van de Russische staat zouden dus “immuun voor executie” zijn. De Hoge Raad bevestigde op 28 mei het oordeel van het gerechtshof in Den Haag, dat de Russische staat in dit geval wel degelijk als commerciële partij moet worden gezien.

Procureur-generaal Strikwerda schreef aan de Hoge Raad dat de Russische staat, door zich sterk te maken voor de afwikkeling van de transactie van Pied-Rich, “naar de marktplaats is afgedaald”. Van “immuniteit voor executie” was dus geen sprake, en het beslag op het schip was rechtmatig.

Strikwerda schreef bovendien aan de Hoge Raad dat deze conclusie voor alle goederen geldt die eigendom zijn van een vreemde staat voor zover zij “niet bestemd zijn voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doeleinden”.

Hieruit blijkt volgens de advocaat van Pied-Rich, A. Steinz van het Amsterdamse bureau Steinz & Van der Veen, dat elk Nederlands bedrijf dat geld tegoed heeft van de Russische Federatie voortaan beslag kan leggen op Russische staatseigendommen in Nederland.

De advocaat van de Russische Federatie, M.M. van Leeuwen van het Rotterdamse bureau Trenité-Van Doorne, wijst er echter op dat beslaglegging een allerminst aantrekkelijke optie is. Van Leeuwen: “Pas als de Russische rechter Pied-Rich gelijk geeft, kan Pied-Rich het schip executeren. Of het ooit zover komt, is maar de vraag. Als Pied-Rich in Moskou in het ongelijk wordt gesteld met haar stelling dat ze geld krijgt van de Russische staat en niet van de importbedrijven waarmee ze zaken doet, moet ze alle kosten betalen die het beslag heeft veroorzaakt. Pied-Rich jaagt met het beslag de Russische Federatie op kosten, om gedaan te krijgen dat ze hoger op het lijstje van schuldeisers komen te staan.”

Volgens advocaat Steinz kan het voorbeeld van Pied-Rich er juist toe leiden dat de staat vaker op juridische actie zal aandringen. Naast de eerder genoemde bedrijven behoren onder andere Berghaus (textiel), Royal Sluis (veevoeder), Gremi (auto-import), Martinus Nijhoff (boeken), IHC Kinderdijk, KNSM Rotterdam en Stario Aalsmeer (bloemenexport) tot de groep ondernemingen met achterstallige, niet-verzekerde vorderingen op de Russische Federatie. Bij de laatste onderlinge bijeenkomst van de groep ondernemingen die plaatshad in april ging het om 50 ondernemingen die bij elkaar 350 miljoen gulden tegoed hadden.

Het garantieplafond voor de exportkredietverzekering door de NCM is, mede als gevolg van de export naar Oost-Europa (met name Polen) en de voormalige Sovjet-Unie, recentelijk fors verhoogd. Op 29 april jongstleden maakte het ministerie van Financiën bekend dat, waar het garantieplafond voor 1993 was vastgesteld op 10 miljard gulden, een verhoging tot 20 miljard gulden noodzakelijk was. Dit omdat in het eerste kwartaal al 4,8 miljard gulden aan garanties was verstrekt, terwijl bovendien een garantie-aanvraag voor 6,1 miljard gulden op tafel lag. “Niet uitgesloten is dat later in het jaar een verdere verhoging noodzakelijk kan zijn,” aldus Financiën.

    • Kees Calje