Landschap met hoog Hollands gehalte

Tentoonstelling: Das Land am Meer, Holländische Landschaft im 17. Jahrhundert. Tot 4 juli in het Rheinisches Landesmuseum Bonn.

Hoe klein Nederland in oppervlak ook mag zijn, het heeft de grootste landschapskunstenaars voortgebracht. De uitgestrekte weidegebieden, de oevers van de grote rivieren, de duinen en bossen zijn vastgelegd in tekeningen, prenten en schilderijen. En wanneer men het begrip "landschap' nog ruimer opvat, vallen er ook de dorps-, stads-, en havengezichten onder. Zowel aan de landschapskunst in het algemeen als aan de afzonderlijke subgenres zijn de laatste jaren tentoonstellingen, catalogi en zelfstandige studies gewijd. Het meest veelomvattend was de grote landschapstentoonstelling in het Rijksmuseum in 1987. Wie daar nog iets nieuws aan toe wil voegen heeft het niet gemakkelijk. Hij moet òf een scherp afgebakende tentoonstelling maken van hoge kwaliteit of met een nieuwe opvatting over de landschapskunst presenteren. De tentoonsteling Das Land am Meer, samengesteld door de Staatliche Graphische Sammlung in München en aanvankelijk in München te zien en nu in Bonn, biedt in ieder geval niet het laatste. Wel geven de tachtig tekeningen en prenten een aardig overzicht van de uiteenlopende subgenres. Grote verrassingen zijn er niet, maar als een eerste introductie is het een geslaagde tentoonstelling. Temeer omdat de zeer verzorgde catalogus ook aandacht schenkt aan de culturele context waarin de landschapskunst tot bloei kwam.

Das Land am Meer was bedoeld als een presentatie van Nederlandse landschapskunst uit de Graphische Sammlung, maar er was onvoldoende materiaal aanwezig voor het concept. Dat voorzag in een thematische indeling naar zee, strand en kust, duinen, het vlakke land achter de duinen en stads-en dorpsgezichten. Door een beroep te doen op andere verzamelingen kon men deze thema's toch alle invullen.

Het tekenen en etsen van landschappen als zelfstandig onderwerp ging vooraf aan de ontwikkeling van het geschilderde landschap. Vooral in Haarlem is aan het begin van de zeventiende eeuw de toon gezet met Hendrick Goltzius, Jacob de Gheyn en Claes Jansz. Visscher. Het is niet zozeer dat men het landschap ontdekte, als wel dat men het de moeite waard vond, zowel artistiek als commercieel, om het als onderwerp te behandelen. Cruciaal daarbij is de prentserie Plaisante Plaetsen van Claes Jansz. Visscher geweest. Hij gaf omstreeks 1612 deze reeks van elf topografische etsen van plekken rond Haarlem uit. Over de preciese betekenis van die reeks zijn de deskundigen het niet eens, maar zelf zegt Visscher daar iets over in twee versjes op het titelblad, een in het Latijn, wat wijst op een ontwikkeld publiek waarop hij mikte en een in het Nederlands. De versjes sporen aan om te genieten en de ogen te laten weiden over deze mooie plekken. En, iets praktischer, leest men er ook de aansporing aan de liefhebbers die geen tijd hebben om ver te reizen om dit reeksje zonder dralen aan te schaffen. Het zijn ontegenzeggelijk landschapjes met een hoog gehalte aan Hollandsheid, waar verder geen bijbelse of mythologische handelingen in te bespeuren vallen. De plekken die Visscher etste hebben een canon vastgelegd, een reservoir van plaatsen en composities die lang zijn nagevolgd en die men op de tentoonstelling terug kan vinden. Ook andere beeldtradities zijn er vertegenwoordigd, zoals het zeegezicht (Wilem van de Velde en Ludolf Backhuijzen), vissers aan het strand (Van Goyen en Simon de Vlieger), het panorama (Philips de Koninck), het gefantaseerde landschap (Hercules Seghers).

Kunstenaars die op reis gingen en het lange Rijndal, de Alpen en het Italiaanse landschap kenden, keerden terug met een schat aan beeelden, zowel geschetst op papier als opgeslagen in het hoofd. Soms lijkt het er wel op alsof de thuisblijvers en ook de teruggekeerden met Hollandse thema's wilden rivaliseren met die veel uitgestrektere en ook in maat onhollandse landschappen in het buitenland. Zo neemt een eenvoudige oude boom door Abraham Bloemaert, opgezweept door de wind dramatische vormen aan, zo wordt een duin, getekend door Philips Wouwerman, vanuit een laag standpunt schier onbeklimbaar. Zo tekent Anthonie Waterloo ondoordringbare wouden en etst Rembrandt zijn "Drie bomen' met zoveel dramatiek dat het lijkt alsof de Dag des Oordeels is aangebroken. En keer op keer verbaast men zich over de manier waarop tekenaars op zo'n klein oppervlak zo'n oneindigheid weten te suggereren, zowel van de lucht, als van het vlakke land van Nederland.