Kok: bij WAO geen sprake van "samenzwering'

DEN HAAG, 11 JUNI. Voormalig FNV-voorzitter W. Kok, tegenwoordig minister van financiën en PvdA-leider, ontkent dat hij ooit met topindustriëlen heeft overlegd om de weg vrij te maken voor een ruim gebruik van de WAO. Kok trad vanmiddag op als getuige voor de parlemenaire enquête Uitvoeringsorganen Sociale Verzekering.

Ook voormalig voorzitter D.J.A. van Lede van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen zei dat de suggestie van een samenzwering “absoluut nergens op gebaseerd is”. Kok zei dat hij wel eens had gehoord van een overleg van de vier grootste Nederlandse bedrijven - Unilever, Philips, Akzo en Shell - maar, zei hij, dat was “voor zover ik het heb begrepen in het kader van de belangenbeharting in Brussel”.

Kok erkende dat, toen de werkloosheid in 1981/1982 maandelijks met tien- tot vijftienduizend personen steeg, van de WAO “een zekere uitnodigende werking” uitging. Het was, zei hij, “een logisch proces” dat men probeerde “een zo goed mogelijke opvang te creëren”.

De uitspraak van rechter G.A.J. van den Hurk dat de uitvoering van de WAO al sinds 1972 in strijd is met de wet, zorgde vanmorgen voor flink wat commotie. Van den Hurk, lid van de Centrale Raad van Beroep, zei gisteren als getuige voor de enquêtecommissie dat met name de "verdiscontering' - waardoor gedeeltelijk arbeidsongeschikten automatisch een volle WAO-uitkering krijgen - reeds sinds een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van begin 1972 in strijd is met de wet.

Alle getuigen reageerden vanmorgen verrast. Kok: “Ik heb nimmer het gevoel gehad dat de WAO in strijd met de wet werd gebruikt.” Voormalig minister van sociale zaken J. de Koning (1982-1989): “Ik ben altijd zeer onder de indruk van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, al zijn die soms zeer kostbaar en leiden ze tot uitkeringen aan mensen die daar totaal geen behoefte aan hebben, maar dit is mij nooit geworden. Ik ben zeer verbaasd. Waarom zijn al die juristen bij het departement dan nooit op de illustere gedachte gekomen om wetsovertreders voor de rechter te dagen? Het is toch wel merkwaardig: over het afschaffen van de verdiscontering is in de Tweede Kamer uit en te na gesproken. Dat had dus voorkomen kunnen worden: de staatssecretaris had gewoon naar de rechter kunnen stappen.”

De Koning vertelde de enquêtecommissie dat hij tot 1985 voorstander was van een "regionalisering' van de sociale zekerheid. Hij wilde de gesprekken over de "tripartisering' van de arbeidsbureaus, waarbij de sociale partners hun intrede deden, koppelen aan een andere uitvoering van de werknemersverzekeringen. Arbeidsbureaus en uitkeringsorganen zouden dan nauwer kunnen samenwerken. Gesprekken met de sociale partners, in januari 1985, brachten hem echter op andere gedachten.

Pag 2: Ex-minister De Koning: stelselherziening miste het gewenste effect

De Koning: “Toen kreeg ik te horen dat de sociale partners geen verantwoordelijkheid wilden dragen voor een regionale sociale zekerheid die zou aansluiten bij de arbeidsvoorziening. Men kan ze niet met politie te paard dwingen bestuursverantwoordelijkheid te nemen.” De sociale partners onderstreepten de autonomie van de bedrijfsverenigingen.

Een reorganisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid werd evenmin gekoppeld aan de stelselherziening sociale zekerheid van 1987. Het Tweede Kamerlid S.C. Weijers (CDA) had daarvoor gepleit, volgens het commissielid W. Vermeend (PvdA) in “gloedvolle betogen”. De Koning: “Maar wij kwamen tot de conclusie dat de stelselherziening ook bij de bestaande organisatie kon worden uitgevoerd.”

De Koning erkende dat de stelselherziening voor de WAO niet de voorspelde effecten had. De uitkeringen gingen omlaag van 80 naar 70 procent van het laatstverdiende loon, en voor zover de WAO de verdiscontering mogelijk maakte werd die bepaling geschrapt. Volgens van de Leidse onderzoekers Aarts en De Jong zou in de lopende kabinetsperiode een besparing van 3 miljard gulden optreden, en op lange termijn 9 miljard gulden per jaar. De Koning: “Maar de verwachting dat de instroom in de WAO zou dalen is niet bewaarheid. Toch ging een alleenstaande WAO'ers er 500 tot 600 gulden per maand op achteruit.”

De Koning bevestigde dat staatssecretaris L. de Graaf op 10 juli 1989 een notitie naar een beperkt aantal ministers zond waarin nieuwe, forse ingrepen met betrekking tot de WAO waren opgenomen. Als getuige herinnerde hij zich echter alleen dat De Graaf voorstelde alleen bedrijfsongevallen te verzekeren. De commissie, in het bezit van de notitie, weigerde eruit voor te lezen. De Koning bevestigde tevens het verhaal van premier Lubbers dat verder niets met de notitie is gebeurd omdat het tweede kabinet-Lubbers al op 2 mei demissionair was geworden.

Het niet-verbindend verklaren van CAO's met ruime bovenwettelijke uitkeringen noemde De Koning “een aantrekkelijke gedachte” maar ook “een dom middel”. De sociale partners zouden zo'n besluit met “een kast vol jurisprudentie” aanvechten, en of de Tweede Kamer het besluit zou steunen betwijfelde hij zeer.

Voormalig voorzitter C.J.A. van Lede van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen was evenzeer door de uitspraak van Van den Hurk verrast. Buurmeijer vroeg Van Lede waarom het VNO, dat zich erop beroep altijd een groot belang gehecht te hebben aan het terugdringen van het aantal uitkeringen (volumebeleid), nooit naar de rechter was gestapt. Van Lede: “Het VNO telt 80 professionals, het is niet zo dat we even een batterij juristen in stelling kunnen brengen. Maar voor u kwam de uitspraak toch ook als een verrassing?” De commissie liet het antwoord in het midden.