Kabinet komt Senaat tegemoet over euthanasie

DEN HAAG, 11 JUNI. De meldingsprocedure voor artsen bij euthanasie wordt aangescherpt. Het kabinet komt daarmee tegemoet aan zware kritiek van de Eerste Kamer op de euthanasieregeling.

Op meldingsformulieren die artsen bij euthanasie moeten invullen, zal een scherp onderscheid worden gemaakt tussen levensbeëindigend handelen zonder verzoek en met verzoek. De concept-Algemene Maatregel van Bestuur waarin de meldingsprocedure voor levensbeëindigend medisch handelen wordt geregeld, zal daartoe worden gewijzigd, schrijven de ministers Hirsch Ballin (justitie) en Dales (binnenlandse zaken) en staatssecretaris Simons (volksgezondheid) vandaag aan de Eerste Kamer. Zij doen dat in de memorie van antwoord op het voorstel tot wijziging van de Wet op de Lijkbezorging waaraan de euthanasieregeling is opgehangen. Het kabinet is niet bereid twee regelingen te maken, één voor levensbeëindigend handelen op verzoek en één voor de gevallen waarin een verzoek ontbreekt.

Volgens de regeling kunnen artsen die euthanasie naar waarheid melden en zich houden aan de vereiste zorgvuldigheidsregels erop rekenen dat zij niet strafrechtelijk worden vervolgd. Euthanasie wordt daarmee in de praktijk gelegaliseerd maar blijft wel opgenomen in het wetboek van strafrecht, met een maximale gevangenisstraf van 12 jaar.

De CDA-fractie in de Eerste Kamer verwerpt de euthanasieregeling op alle fundamentele punten. Ook de andere fracties in de Senaat, met uitzondering van de PvdA, keuren de regeling om uiteenlopende redenen af. De CDA-senatoren vinden het onverteerbaar dat de regeling naast "echte' euthanasie (op nadrukkelijk verzoek) ook betrekking heeft op levensbeëindiging van mensen die hun wil niet kenbaar kunnen maken.

De bewindslieden schrijven dat alle gevallen van euthanasie - met verzoek en zonder verzoek - door de officier van justitie getoetst moeten worden. Zij wijzen erop dat de toetsing bij gevallen van euthanasie met uitdrukkelijk verzoek in uitzonderingsgevallen tot strafvervolging leidt. Bij levensbeëindigend medisch handelen zonder verzoek is strafvervolging regel. Deze "onvergelijkbaarheid' van de soorten gevallen moet volgens de bewindslieden tot uitdrukking komen in de rubricering van het meldingsformulier.

Op het formulier zal ook worden vermeld dat levensbeëindigend handelen op uitdrukkelijk verzoek niet automatisch leidt tot het afzien van strafvervolging. Toetsing blijft in alle gevallen uitgangspunt. Zonder die toetsing zou volgens de bewindslieden “afbreuk worden gedaan aan de verantwoordelijkheid van de overheid voor een effectieve bescherming van het menselijk leven.”

In de Tweede Kamer komt de meldingsprocedure in het najaar opnieuw aan de orde. De CDA-fractie in de Tweede Kamer deelt kritiek van de partijgenoten in de Senaat, waardoor een nieuwe confrontatie met het kabinet wordt verwacht. Het streven van het kabinet is erop gericht dat de wettelijke regeling per 1 januari 1994 in werking treedt.