Het pluche in theorie...

MINISTERIËLE verantwoordelijkheid is zo'n onderwerp dat alleen bij calamiteiten ter sprake komt. Wanneer is een bewindspersoon waarover aanspreekbaar? Als de vraag wordt gesteld, is het probleem meestal in volle omvang aanwezig. Op dat moment moet de staatsrechtelijke beschouwing vaak wijken voor de politieke beoordeling.

Los van een acuut geval heeft een commissie bestaande uit partijgebonden staatsrechtgeleerden onder leiding van professor M. Scheltema zich de afgelopen maanden in het kader van de discussie over staatsrechtelijke vernieuwing over het vraagstuk gebogen. Maar de actualiteit overvleugelde vorige week de bevindingen van de commissie.

Overigens, ook zonder de commotie rondom minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Ter Veld zou het rapport met de naam Steekhoudend ministerschap waarschijnlijk weinig aandacht hebben gekregen. Want, zo is eigenlijk de conclusie, de wijze waarop het begrip ministeriële verantwoordelijkheid staat omschreven behoeft geen aanpassing. Vaak wordt ministeriële verantwoordelijkheid verward met de politieke consequenties: is de betrokken bewindspersoon zoveel te verwijten dat deze dient af te treden? Maar, bevestigt de commissie-Scheltema, er zijn nauwelijks staatsrechtelijke criteria te geven om te kunnen bepalen wanneer een minister heengezonden dient te worden of wanneer deze zelf moet aftreden.

DE REGEL VAN DE ministeriële verantwoordelijkheid houdt in dat de minister door het parlement ter verantwoording kan worden geroepen voor ieder bestuurshandelen dat onder zijn zeggenschap plaatsheeft. De daaraan gekoppelde vertrouwensregel zegt dat een minister zijn positie niet kan behouden indien hij het vertrouwen van het parlement heeft verloren. Daarvoor bestaan geen vaste maatstaven. Het is, aldus het rapport, “een politieke vraag die een politiek antwoord verlangt”. De commissieleden noemen de gedachte dat het vertrouwen slechts kan worden opgezegd wanneer de minister persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt terecht onjuist.

Natuurlijk is er een kloof tussen de fictie van de ministeriële verantwoordelijkheid en de werkelijkheid. Of, om bij de praktijk van vorige week te blijven: het valt de voor het justitie-apparaat verantwoordelijke minister Hirsch Ballin moeilijk persoonlijk te verwijten dat een hulpofficier van justitie een van moord verdachte jongere wegens gebrek aan celruimte de straat op heeft gestuurd. Maar de afweging wanneer het hem wel zodanig te verwijten valt dat het consequenties voor zijn positie moet hebben, is altijd een politieke. In die zin heeft de Tweede Kamer vorige week naar de geest van het rapport-Scheltema gehandeld en kan de commissie-Deetman wat betreft dit onderdeel van de staatsrechtelijke vernieuwingsdiscussie snel klaar zijn. Op dit punt is geen verandering gewenst.

... en praktijk

NAUW VERWANT MET het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid is de verantwoordingsplicht jegens de Tweede Kamer als eenmaal de vertrouwensvraag in het geding is. Als dit stadium is bereikt, maakt het "open' dualisme zeer snel plaats voor het besloten monisme. Hoewel het beantwoorden van de vertrouwensvraag een zaak van de voltallige Kamer dient te zijn, is de trieste praktijk toch keer op keer dat dit voorbehouden blijft aan een enkele fractie. Daarmee het foute beeld versterkend dat bewindslieden dienaren van de partij zijn in plaats van dienaren van de kroon.

Het drama rondom staatssecretaris Ter Veld heeft het afglijden naar monisme nog eens bevestigd. Allereerst is er de officiële redengeving van haar vertrek: de staatssecretaris zou te weinig hebben "gecommuniceerd' met haar partijgenoten in de Tweede-Kamerfractie. Kortom, ze deed te weinig aan het voorbespreken van haar plannen met de eigen politieke vrienden. Inderdaad, een zonde voor hen die alles graag vooraf onderling geregeld willen zien, maar een zegen voor hen die menen dat het echte debat met al zijn pro's en contra's in het parlement dient plaats te hebben. Monisme kweekt parlementair stemvee, terwijl de democratie is gebaat bij kritische beoordelaars.

De afwikkeling van het vertrek van Ter Veld kwam ook uit de monistische school. De vertrouwensvraag werd niet in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer gesteld maar in de beslotenheid van een fractiekamer. Het Kamerdebat dat op het aftreden volgde, kreeg noodgedwongen het karakter van een evaluatie. De Tweede Kamer moest het doen met een korte schriftelijke mededeling van de minister-president dat hij had bewilligd in de ontslag-aanvrage. Over de redenen kon met diverse betrokkenen vrijblijvend worden gediscussieerd behalve met de hoofdpersoon zelf die immers al was vertrokken.

DE UITSPRAAK VAN het fractiebestuur van de PvdA dat er sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk was voor staatssecretaris Ter Veld het signaal om met onmiddellijke ingang ontslag te vragen. Praktisch politiek gesproken nam zij een logische stap. De bewindspersoon die het vertrouwen van zijn eigen partij verliest, kan niet meer verder. Maar zo'n afscheid heeft als de Tweede Kamer er niet aan te pas komt toch een uiterst onbevredigend verloop. Er kan slechts worden nagepraat. Zoals de GPV'er Schutte deze week tijdens het debat opmerkte: mevrouw Ter Veld is de mogelijkheid onthouden in een confrontatie met de Tweede Kamer te sneuvelen op het veld van eer.

Weliswaar had de staatssecretaris een communicatieprobleem met de geestverwante fractie en niet een verschil van mening met de Tweede Kamer. Maar dan nog: het staatsbestel kent geen PvdA- of CDA-bewindslieden doch slechts bestuurders die door hun partij aan het kabinet zijn afgestaan. Het is een subtiel onderscheid, maar cruciaal voor het goed functioneren van een dualistisch systeem.

AAN DE UITKOMST zelf zou een debat met de staatssecretaris in de Kamer alvorens zij haar besluit nam om af te treden ongetwijfeld weinig hebben veranderd. Maar het gaat om de plaats die het parlement bij dit soort omstandigheden krijgt toebedeeld. Braks, Brokx, Van der Linden, Van Eekelen - allemaal namen zij ontslag zonder door de Kamer te worden gehoord. Bang als zij of hun partijen waren voor een openbare confrontatie. Een volwassen democratie vereist in voorkomende gevallen een dergelijk debat.