Het is geen tijd voor grapjes

Vier eeuwen lang werd in Leipzig de belangrijkste boekenbeurs ter wereld gehouden, totdat het ophangen van een ijzeren gordijn deze reputatie in enkele jaren teniet deed. Nu gelooft niemand meer in de toekomst van de Leipziger Buchmesse. “Het tragische is dat de beurs voor schrijvers en lezers veel interessanter is dan de immense verkoopfabriek die elk najaar in Frankfurt start.”

Waar blijft de grote roman over de DDR? Welke Oostduitser schrijft de nieuwe Buddenbrooks, de nieuwe Blechtrommel? Tijdens een discussie in de Leizpiger Club Pfeffermuhle is iedereen het erover eens dat er een roman zou moeten zijn die een tijdsbeeld geeft van het dagelijks leven in wat ooit de eerste Duitse boeren- en arbeidersstaat heette. Elmar Faber, redactrice bij uitgeverij Reclam in Leipzig: “Waar zijn onze schrijvers nu? Zijn ze in de jaren zeventig en tachtig allemaal weggegaan? Ik wou dat ik iemand vond die beschreef hoe het hier in de jaren vijftig en zestig is toegegaan.” De redactrice is er zeker van dat zo'n boek goed verkocht zou worden. “Ik zou het zelf heel graag lezen.”

Volgens de Oostduitse romanschrijver Fritz-Rudolph Fries, die bij het gesprek aanwezig is, is het voor een dergelijke roman nu nog te vroeg. Hij wijst erop dat er tot nu toe zeer veel non-fictieboeken over het leven in de DDR zijn verschenen. “De essayisten zijn ons voor. Een romanschijver heeft nu eenmaal tijd nodig om iets te verwerken. Ik moet eerst een houding vinden tegenover de gebeurtenissen, voor ik er over schrijven kan. Zover ben ik nog niet.”

Het thema in de Club Pfeffermühle is de ontvangst van Oostduitse schrijvers in Westduitsland. Veel Oostduitsers hebben de indruk dat ze in het westen worden achtergesteld. Maar Faber merkt er niets van dat de Westduitse pers onwelwillend staat tegen haar uitgaven. Het door Reclam uitgegeven boek Schlafes Bruder van Robert Schneider behoort tot de grootste successen van het afgelopen najaar. Faber: “Het gebrek van de Oostuitse uitgevers is eerder dat ze hun contacten met de pers nog moeten opbouwen. Reclam heeft het voordeel van een bekende naam, maar je moet ook een alerte persafdeling hebben. Als een krant een boek aanvraagt, moet je zo'n verzoek niet eerst vier weken laten liggen.”

De schrijver Thomas Rosenlöcher vindt al die aandacht voor de westerse media maar overdreven: “Ons grote probleem is de zwakheid van de Oostduitse cultuur. Onze radio, onze kranten zouden zelf wat meer aan onze literatuur moeten doen.” Volgens een van de aanwezigen zal het zeker nog tien jaar duren voor er een volwassen Oostduitse kritiek is. “Waar zijn onze feuilletonisten? Wij missen nu nog een visie. Die kun je niet even snel en kunstmatig tot stand brengen.”

Heeft de Leipziger Buchmesse, die de afgelopen week voor de derde keer na de hereniging van Duitsland plaatsvond, nog toekomst? De beurs zelf doet alle moeite om gesprekken hierover te vermijden, maar niemand gelooft waarschijnlijk oprecht dat die toekomst er nog is. De Berlijnse dichter Durs Grünbein: “De grote Westduitse uitgevers willen hier niet meer naar toe. Ze boycotten Leipzig.” De Dresdense schrijver Heinz Czechowski: “Het is jammer als de beurs verdwijnt, maar niemand van ons kan daar individueel nog iets tegen doen.”

De lotgevallen van de beurs zijn inderdaad tragisch. Vier eeuwen lang werd in Leipzig de belangrijkste boekenbeurs ter wereld gehouden, totdat het ophangen van een ijzeren gordijn deze reputatie in enkele jaren teniet deed. Het centrum voor de internationale uitgeverij en boekhandel verplaatste zich naar Frankfurt, en nu, na het verdwijnen van de oost-west grens, is de boekenbeurs van Leipzig stervende.

Het tragische is dat de beurs en alles wat daaromheen gebeurt, voor schrijvers en lezers wel veel interessanter is dan de immense verkoopfabriek die elk najaar in Frankfurt start. Tijdens de Leipziger Messe zijn er een paar honderd schrijvers in de stad, die aanzienlijk meer doen dan statements afgeven voor de televisiecamera's. Door duizenden mensen wordt tijdens de vier dagen dat de beurs duurt, in clubs, cafés, theatertjes en officiële gebouwen de hele dag over boeken en literatuur gepraat. Men heeft het over de laatste roman van Christoph Hein, de invloed van Gottfried Benn, het leven in de DDR, de identiteit van de nieuwe Duitse bondsstaten, de Russische literatuur na de dooi, de verhouding Duitsland-Polen, en natuurlijk over collaboratie, schuld en schaamte.

Het aardige van de gesprekken is dat eigenlijk helemaal niet over contracten en oplagecijfers wordt gepraat. Burckhard Glaetzner, de dirigent van het Leipziger Kamerorkest: “De biografieën van de Oostduitsers hebben één ding gemeen: een hoge inzet zonder materiële bijbedoelingen. Dat is een verschil met veel Westduitsers. Wij zijn veel idealistischer. Hoe we daar nu mee omgaan, is iets anders.” De Russische schrijver Jevgenij Popov zegt tijdens een debat over de toekomst van de Russiche literatuur hetzelfde: “Wij zijn groot gebracht met het idee dat onze boeken nooit gedrukt zouden worden. Wij hebben nooit, ook niet in de samizdat, over geld gepraat.”

Verdediging

Een van de thema's die dit jaar in de debatten werden aangesneden, is de plaats van de nieuwe Duitse staten binnen Europa. Moet men zich in Leipzig en omgeving vooral op West-Duitsland richten, en via West-Duitsland op Amerika en Engeland? Of moet de blik, net als vroeger naar het Oosten worden gericht? Ligt het centrum in het westen, of, zoals een bekend essayist beweerde, oostwaarts? Udo Zimmermann, de intendant van de Leipziger Opera, is duidelijk de laatste mening toegedaan. Hij vindt dat er in het theater en in de muziek in Polen, Hongarije en Tsjechië veel meer interessants gebeurt dan in het westen. Zimmermann was vorig jaar één van de initiatiefnemers tot de oprichting van een Leipziger Freie Akademie der Künste. In deze Akademie zijn nu dertig kunstenaars verenigd die zich sterk maken voor een eigen cultuur. Deze cultuur zal het verleden moeten onderzoeken en een richting moeten kiezen voor de toekomst. Zimmermann: “We moeten hier ons cultuurbegrip opnieuw definiëren. We hebben hier veertig jaar Duitse cultuurgeschiedenis achter de rug die voor ons een waanzinnig gewicht heeft.” De schrijver Heinz Czechowski: “Ik heb hier veertig jaar geleefd, ik heb hier altijd geschreven, in een spanningsverhouding met de staat, zonder dissident te zijn. Daar moet ik nu mee omgaan. De Akademie kan mij daar misschien bij helpen.”

Zimmermann vindt dat er veel teveel over de Oostduitsers wordt gepraat zonder dat de ze daar zelf bij betrokken zijn. “Wij worden in een verdedigende rol gedrongen.” Tijdens een presentatie van de Akademie blijkt hij zich ernstig te hebben gestoord aan de openingsrede van de Buchmesse, die is gehouden door Günter Kunert. De in 1979 naar West-Duitsland uitgeweken auteur had onder meer grappen gemaakt over een man die uit verveling besluit een boek te gaan lezen. Zimmerman vindt een dergelijke houding stuitend. “Het is nu geen tijd voor grapjes. We zitten in een noodsituatie. We moeten duidelijk zeggen waar het op staat.”

Een cultuur zonder geldzorgen, is dat mogelijk? Op zaterdag bezoek ik een literaire avond in Haus Steinstrasse, een in het zuiden van de stad gelegen centrum voor "Cultuur, Vorming en Contacten'. Op het programma staan dichters uit het fonds van Janus Press. Als ik de vervallen villa stipt om acht uur binnen kom is het zaaltje nog bijna leeg, maar binnen een uur zijn er een stuk of vijftig, merendeels jongere bezoekers. Janus Press is een bekende Oostberlijnse uitgeverij van poëzie en prentkunst, die twee jaar geleden is opgericht door de vroegere DDR-uitgever Gerhard Wolf, de man van Christa Wolf.

Ingeleid door gongslagen en accordeonmuziek treden vanavond vier dichters op: de uit de Prenzlauerberg-scene bekende Bert Papenfuss, en de dichteressen Gabriele Stötzer-Kachold, Roza Domascyna en Heike Willingham. Ik hoor hun voordracht met gemengde gevoelens aan. Ze lezen sterk apocalyptische teksten zonder veel ritme of vorm. Als Willingham een larmoyant verhaal over een liefde in Praag voorleest, slaat bij sommige aanwezigen de slappe lach toe.

In de pauze praat ik met een medewerkster van de uitgeverij. Ze vertelt dat Janus Press op dit moment drie full-time krachten heeft. Ik veronderstel dat het dan een vrij grote uitgeverij is. Nee, in de twee jaar dat ze bestaan hebben ze pas tien boeken uitgebracht. Kan een uitgeverij daarvan bestaan?

“We hebben een goede mecenas.” Wie betaalt alles dan? “De Wolfs.”

    • Reinjan Mulder