Het geheim van J.H. Moesman

Drs. Loek Brons organiseert naar eigen zeggen de eerste overzichtstentoonstelling van de vijf jaar geleden overleden surrealistische schilder J.H. Moesman. Moesman werkte zijn leven lang als grafiekentekenaar bij de Nederlandse Spoorwegen. In 1929 raakte hij genteresseerd in het surrealisme en vanaf die tijd schilderde hij vooral tijdens zijn middagpauzes een internationaal vermaard oeuvre bij elkaar, van ongeveer veertig schilderijen. In het Singermuseum heeft drs. Loek Brons er 32 bij elkaar gehangen, waarvan er elf in de verkoop zijn. Over een van die raadselachtige doeken gaat het hier.

Moesman was een markante man die zijn kunstzinnig leven zelf omschreven heeft als “tien mooie jaren en een halve eeuw gekloot”. Dat laatste had veel te maken met zijn welhaast mythische overtuiging dat de wereld erop gemaakt was om de eenvoudige ambachtelijk werkende schilder J.H. Moesman het leven zo moeilijk mogelijk te maken. Zo was Jhr. Sandberg als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam volgens Moesman in een interview met Bibeb “een verschrikkelijke kunstdictator”. Sandberg had wel karakter maar besteedde dat aan de knoeiers van Cobra en aan het laten witkalken van het Stedelijk Museum, terwijl alleen “stallen en schijthuizen” wit dienen te zijn. En dan dat verschrikkelijke bovenlicht. Een schilderij moet zijlicht hebben en op een groene of zwarte muur hangen. Maar daar houden moderne door de overheid gesubsidieerde musea niet van terwijl die toch vol hangen met beroemde collecties uit particuliere verzamelingen. “Philips II, De Medici... dat waren kerels op het slagveld en in de slaapkamer.”

Een tentoonstelling in het Stedelijk heeft Moesman dus nooit gekregen, want ook “De Wilde is er te dom voor”. Cynisch lachend legde Moesman mij in 1985 al wandelend door zijn tuin uit dat een paal ertoe diende om museumdirecteuren aan op te hangen, en een stuk opbollend plastic om hun lijken mee toe te dekken.

De tien mooie jaren waar Moesman van sprak waren de jaren dertig. Samen met onder meer Willem Wagenaar en Louis Wijmans ondekte Moesman de vrijheid van schilderen die het pas verworven surrealisme hem bood. Die inspirerende en produktieve periode werd ruw afgebroken door de Duitse inval van 1940. Bij die gelegenheid schilderde hij het hierbij afgedrukte doek Mei. De schilder heeft meer dan eens verteld dat je niet zoveel achter de titels van zijn schilderijen moet zoeken, “dan krijg je maar literatuur!” Vaak bedacht hij een korte en verwarring stichtende naam.

In de Moesmankunde is nooit veel aandacht aan Mei besteed. Je leest alleen dat het in bezit is van W.F. Hermans. Ruim vier jaar geleden publiceerde ik een boek over het surrealisme in Nederland waarin Mei paginagroot staat afgedrukt. Rien Vissers uit Tilburg zag die reproduktie en meende in de man zonder gezicht onmiddellijk de Duitse dichter Johann Wolfgang Goethe te herkennen. Als symbool van de Duitse beschaving zou Goethe na de barbaarse overval in mei 1940 van zijn landgenoten op ons land zijn gezicht hebben verloren.

Een interessante hypothese, maar is zij ook waar? W.F. Hermans liet desgevraagd weten dat hij Moesman herhaaldelijk had gesproken maar nooit over Goethe. Boudewijn Büch, die als vermaard Goethe-deskundige vervolgens werd geraadpleegd, riep meteen verrast: “Wat is er toch veel wat ik nog niet weet! Het beroerde is dat je mij vantevoren al had gezegd dat Moesmans doek misschien Goethe voorstelt. Het was dus moeilijk om er objectief naar te kijken. Ik dacht ook onmiddellijk: ja hoor, dat is Goethe! Vooral omdat Goethe's haarinplant wel degelijk aan het eind van zijn leven zo ver was teruggedrongen. Na wat afstand genomen te hebben en alle iconografieën van Goethe die ik bezit te hebben doorgebladerd, moet ik concluderen dat het zichtbare stuk hoofd in geen geval een letterlijke naschildering is van een bekende Goethe-afbeelding. Blijft staan dat het oor erg op het Goethe-oor van Kriprenskij (1823) lijkt, maar daaraan moet ik toevoegen dat deze prent van Goethe een van de alleronbekendste is en dat Goethe in zijn latere half kale jaren altijd wordt afgebeeld met bakkebaarden, het soort neukteugels dat ik bij Moesman niet aantref.”

Het is een aantrekkelijke gedachte ervan uit te gaan dat Hermans Mei lang geleden op een veiling kocht, omdat de man zonder gezicht hem deed denken aan zijn hoofdpersoon Osewoudt uit De donkere kamer van Damocles. Osewoudt kan de beschuldiging van collaboratie alleen ontkrachten als hij een foto vindt waarop hij samen met Dorbeck poseert. Het lukt hem niet omdat hij de afbeelding van een gezicht niet kan achterhalen. Misschien gaat Hermans daar vanavond iets over zeggen als hij op een besloten surreële happening de Moesman-tentoonstelling opent met de toespraak De aardappel van de dood. Zeker is dat niet, want het motiveren van schilderijen leidt maar tot literatuur. Moesman heeft zijn geheim mee in het graf genomen, maar u kunt zelf kijken en vergelijken want Hermans heeft Mei voor de duur van de tentoonstelling uitgeleend.

    • Hans Renders