Hans Faverey en het onbegrijpelijke; De rollende steen van het toeval

In de waardering voor de gedichten van Hans Faverey heeft een enorme omslag plaatsgevonden. Werden zijn eerste gedichten bijna unaniem door de critici afgewezen, bij zijn dood in 1990 werd Faverey erkend als een van de groten van deze eeuw. Dit jaar verscheen zijn verzameld werk. “Het is verbazend, ongehoord, dat een dichter zo hardnekkig zo lang zo onleesbaar kan schrijven in het vertrouwen dat dat onleesbare werk later via andere verzen met terugwerkende kracht nog eens klinken zal.”

Hans Faverey: Verzamelde gedichten. Uitg. De Bezige Bij, 746 blz. Prijs ƒ 69,50

Ruim bedeeld met literaire prijzen is het werk van Hans Faverey (1934-1990) niet, maar juist hij kreeg een tweetal onderscheidingen die, gecombineerd, zeldzaam genoemd kunnen worden: een bijna unanieme afwijzing van zijn debuut en de onbetwiste erkenning bij zijn dood dat hij tot de groten van deze eeuw behoort.

Daarbij komt dat deze enorme ommezwaai in waardering geheel voor rekening van de critici is. Faverey is eigenlijk alleen maar zichzelf gebleven. Een voor de hand liggende diagnose zou kunnen luiden dat hij "zijn tijd vooruit' was. Best mogelijk. Faverey is een besmettelijk dichter en ik zou niet verbaasd zijn vandaag of morgen te lezen dat juist zijn eerste verzen de kern van zijn meesterschap uitmaken. Er zijn redenen voor. Die hebben niet zozeer ermee te maken dat Faverey "nog niet begrepen' werd, als wel met de omstandigheid dat zijn gedichten niet werden begrepen en dit om de eenvoudige reden dat ze niet konden worden begrepen.

Een feit is dat Faverey's debuutbundel (1968) een aantal tóen modieuze trekjes vertoonde: dubbele punten aan het begin van de regel, haakjes die openden maar niet sloten, en andersom - typografische fratsen die allang achterhaald zijn (en die Faverey in de eerstvolgende herdruk heeft weggelaten of genormaliseerd). Een feit is ook dat niet alleen in het debuut, maar ook in het latere werk nogal wat lelijke dictee-achtige regels staan zoals "Misschien kan een ei het ook zo' of "Is het Gorgonenhoofd werkelijk zo stuitend?', zinnen die men eerder in de Opperlandse taal- en letterkunde zou verwachten. "Is bloed schande, of zijn uilen echt lui' - nog zo een. Men hoeft, omdat Faverey intussen genoteerd staat als een groot dichter, dit soort zinnen nu niet opeens "mooi' te gaan vinden, of "goed', of "geestig'.

Hoewel Faverey graag hoorde dat men zijn gedichten mooi vond, denk ik toch dat hij dat graag hoorde omdat hij daaruit begreep dat ze goed waren overgekomen. Faverey is moeilijk. Maar hij is een uiterst beeldend dichter en er zijn heel wat passages die in eenvoud de leesplank met z'n plaatjes naar de kroon steken. Bijvoorbeeld:

Dezelfde stapels bazalt

Dezelfde molensteen

Hetzelfde wiel.

De snijbranders brandden

door het water heen en

wind heeft nauwelijks

vat op de kettingen.

Op zichzelf niet moeilijk, deze opsomming. Maar wat wel moeilijk is, is in deze eenvoudige beelden samenhang te zien. Nog een voorbeeldje.

Licht dat zijn bronnen

loslaat, een duin treft,

een naakt tot zinken brengt.

Wat hebben die drie dingen met elkaar te maken? Wat is het verschijnsel dat hier beschreven wordt? Het is de ruimte van een doorgaans ontzaglijk wijd opgezette coherentie die Faverey tot zo'n moeilijke dichter maakt. Ik wil het vergelijken met de samenhang die er in het zonnestelsel bestaat, tussen de zon en de planeten of tussen de planeten onderling, of tussen sterren zelfs - die alle voornamelijk verbonden zijn door een mateloze leegte. Veel gedichten uit Faverey's beginperiode hangen van leegte aan elkaar.

Associaties met interstellaire ruimtes dringen zich ook aan mij op als ik lees:

Het wak naderend.

Dat zich verwijdert.

Immers, naar welke ster men ook zou reizen, een feit is dat hij met een snelheid die groter is dan de onze ooit kan zijn, zich van ons verwijdert. Zo, over die grote afstanden, valt enigszins te begrijpen of aan te voelen wat dichterbij een paradox moet worden genoemd: een schijnbare tegenspraak. En misschien is het wel een echte tegenspraak en wordt met de tweede regel de eerste herroepen.

In het algemeen zal een paradox, eenmaal begrepen, ophouden een paradox te zijn. In Faverey's poëzie, die ervan wemelt, verdwijnen ze vaak al lezende. De ervaring iets onder ogen te krijgen dat niet klopt heeft plaats gemaakt voor de tintelende sensatie dat wat in het dagelijkse leven, volgens onze denkgewoonten, niet mogelijk is, hier zomaar een feit is, beschreven in termen die elkaar formeel nog steeds niet verdragen - dat geeft die tinteling.

Een paradox is veelal een illustratie van de wet van de lokale waarheden: wat op de ene plaats waar is hoeft een eindje verderop niet per se ook waar te zijn. Het is niet zelden een paradox waaraan nieuwe locale waarheden ontspruiten. Een paradox geeft mij, behalve de genoemde tinteling, het gevoel dat er, nu ik het begrijp, bepaalde betekenissen verschoven zijn.

Maar zoals gezegd, een lezer kan er ook voor kiezen een paradox te lezen als een echte tegenspraak. Lopend over het ijs naar een wak dat steeds verder weg komt te liggen is een tegenspraak die alleen op te lossen zou zijn (zo men daar op uit is), als tussen de eerste en de tweede regel een zekere tijd verloopt - wat in een verhaal niet ongewoon is:

Het wak naderend

Dat zich vervolgens verwijdert.

namelijk wanneer je het voorbijgeschaatst bent.

Een paradox betreft altijd twee zaken die in een precaire relatie tot elkaar staan. Maar welke zaken? Als we onder het mandaat van een paradox allerlei vaste betekenissen gaan zitten losmaken, raken we dan ook niet een beetje los van de werkelijkheid? Aan elk hoofd zit een lichaam, aan elk bestaan een vraag. Samenhang aanbrengen tussen personen die hun familie hebben meegenomen is een onbegonnen zaak, dat geldt ook voor allerlei onpersoonlijke dingen. Dit, lijkt mij, kan een verklaring zijn voor het wonderlijke en opvallende gebruik dat Faverey van het reflexivum maakt:

omdat het zich niet meezat

Iets kan mij of jou niet meezitten, maar door met een speer zijn eigen hart te doorboren zit iets zichzelf niet mee, dat zou kunnen. Zo isoleert Faverey het hoofd van het lichaam door te schrijven:

toen het hoofd zich viel door de schoot

en het bestaan van de vraag door:

alles zo vanzelfsprekend dat het zich bestaat

Samenhang, dat is, zoals ik het zie, het sleutelwoord voor wie Faverey's werk wil begrijpen. Samenhang van alle mogelijke onsamenhangende en mogelijk niet samen te hangen zaken.

Het universum van Faverey is voor de lezer die met zijn werk begint één grote, zo juist uit elkaar gespatte winkel van Sinkel. Glazen, eenhoorns, ijsappels, chorus-girls, telefoontoestellen, zeppelins, windharpen trekken in een bonte stoet voorbij. Complete heuvels waar men tegen leunen kan, poppen en trechters, spiegels en wakken inderdaad, meanders, landingen en scherven, scherven . . .

Alsof de dichter, de oerknal zelf meegemaakt hebbend, de stukken bij elkaar probeert te zoeken, alsof er in de chaos het begin ontstaat van zekere constellaties, van orde.

Het proces - in de natuur een gevecht op leven en dood - loopt, vertaald in de kunst, uit in een spel tussen toeval en noodzaak. Het wordt, onder regie van de kunstenaar, gespeeld met in de hand de rollende steen van het toeval dat, zodra het een zekere orde oplevert, noodzaak blijkt te zijn geweest. Als iets ontstaat, zal blijken dat het nooit anders had kunnen ontstaan dan zo.

Woorden klonteren aan elkaar tot een regel, regels tot een heel gedicht. En we lezen daar opeens:

Alsof in een vloeiende beweging

een gat wordt neergelegd;

en, wak na wak, huis-

waarts gebogen, neuriënd

de schaatsers.

en zien ons vermoeden bevestigd van een wandelende (in dit geval schaatsende) waarheid. We zijn getroffen door een aangenaam gevoel van herkenning.

In zekere zin is elk lastig gedicht een intellectuele investering. Wat vandaag in je ziel ontspoort, kan morgen terugkomen als begrip. Het werk van Faverey is, zoals gezegd, één groot schilderij van rondvliegende dingen en het lezen ervan is één lange film van dingen die zonder aanwijsbare reden zijn gaan samenleven en daaraan zin ontlenen. Het beschrijft een toenemende samenhang, maar slaagt daarin vooral omdat het zelf zo samenhangt. Het doel is tegelijk het middel. Pas nu het verzamelde werk uit is, valt het me op hoezeer het een eenheid is. Thema's, voorwerpen keren terug, eerdere gedichten blijken ineens te preluderen op latere. Het onbegrepene wordt verderop begrepen. Regels blijken zich over grote afstanden te herhalen. Maar ook formeel springt die samenhang in het oog. Gedichten lopen in elkaar over, soms verbonden door de loopbrug van een afbreekstreepje. Wat in een vorig gedicht nog slechts een woord was, ergens in een regel, is in de volgende gedichtenreeks gepromoveerd tot titel.

Het is verbazend, ongehoord, dat een dichter zo hardnekkig zo lang zo onleesbaar kan schrijven in het vertrouwen dat dat onleesbare werk later via andere verzen met terugwerkende kracht nog eens klinken zal.

Met de verschijning van Chrysanten, roeiers viel Faverey de waardering ten deel waar hij al zo lang recht op had. Vriend en vijand waren het er over eens dat in het bijzonder het slotgedicht van een ongeëvenaarde schoonheid was. Nog steeds geldt het als Faverey's mooiste vers. Menigeen zal na lezing het hebben weggelegd met de verzuchting dat het "misschien wel' het schitterendste gedicht is, ooit in het Nederlands geschreven.

Van lieverlede, zo

komen zij nader: 8 roeiers,

steeds verder landinwaarts

groeiend in hun mytologie:

met elke slag steeds verder

van huis, uit alle macht roeiend;

groeiend tot alle water weg is,

en zij het hele landschap

vullend tot de rand. Acht -

steeds verder landinwaarts

roeiend, landschap daar al geen

water meer is: dichtgegroeid

landschap al. Landschap,

steeds verder land-

inwaarts roeiend: land

zonder roeiers: dicht-

gegroeid land al.

Het gedicht is één grote paradox, maar die wordt tijdens het lezen eigenlijk al meteen opgelost in een waarheid, ja zelfs in een gebeurtenis, die al maar plaats vindt en van lieverlede, jaren geleden, begonnen is met plaats te vinden, of te zoeken.

Door dit gedicht namelijk lichtten ineens ook vroegere regels op:

Beulen

en roeiers.

Wat een rivierlandschappen;

wat een ongemakkelijke ruimten.

en wat een klungelig

instrumentarium vaak.

en

Wat een afstand verslijt

hij: de roeier. Hij helpt

water zich te verplaatsen.

Ontwikkelt schrikdraden.

of zoekt hij een mond

die achter hem ligt?

en:

Flink geroeid: het wordt

al dag, al nacht.

Van al deze oude passages is sinds Chrysanten, roeiers om zo te zeggen de koers omhoog geschoten.

Ik moet bekennen, nu ik Faverey's Verzamelde Gedichten uit heb, alles gelezen, nog 's terug bladerend naar het begin, moeite heb aan te wijzen wat mij daarin eertijds niet beviel. Het kan niet alleen maar een kwestie van smaak zijn. Zelfs het begrip past zich aan, aan het onbegrijpelijke, en begrijpt het.

Toch blijven er door het Faverey-heelal een aantal vreemde elementen voortsuizen, rare brokken steen die nergens thuis horen. Ik althans vermag ze niet te indentificeren. Wat te denken bijvoorbeeld van het volgende vers:

Sprinkhanen; wilde honing;

springvossen. Zon met wieken

in haar sterrenbos - een golf, kind

van een golf. (Mag ik bij je komen,

tarentijns kopje van me). Meanders;

white slip; donkerslag. Zij kijkt

uit op een nulbaan; glimlachend, wis-

kunstig: einde van een bergrijk. Ik ga

weg; zij is weg. Meer scherven nooit.

De slotzin is typisch Opperlands en wil zeggen, dat begripsvorming een proces is dat niet terug te draaien valt.

    • Gerrit Krol