Haat is consumptie-artikel van onze cultuur; Haten op zichzelf is geen monopolie van skinheads of andere bijzonder uitgedoste messentrekkers

Haat is in onze cultuur een maatschappelijke factor van de eerste orde geworden. De politieke elite heeft dit op zijn beloop gelaten. Zo zijn de vruchtbare voorwaarden gecreëerd voor het terrorisme van de Solinger skinheads.

De skinhead die in Solingen de eerste brand heeft gesticht, is zoals we overal hebben kunnen lezen een jongen van zestien met een diep gewortelde haat tegen vreemdelingen. Hij heeft een moeilijke jeugd gehad, is vaak met de politie in aanraking geweest wegens inbraken, brandstichting en geweldpleging. Voor hij met een paar makkers brand stichtte in het huis waar drie Turkse vrouwen en twee kinderen het leven lieten, had men hem dronken op straat zien lopen, hier en daar heil Hitler tegen de voorbijgangers schreeuwend. Hij ging weleens naar bijeenkomsten waar vechtsporten werden beoefend en dan kwam een neo-nazi een toespraak houden, maar, heeft een woordvoerder van de overheid verzekerd: “We moeten nu niet denken dat achter deze hersenloze skinheads een neonazistische organisatie staat. Het zijn losse groepjes die zich van tijd tot tijd een stuk in hun kraag drinken en dan tot hun geweldplegingen komen.” Het is allemaal verklaarbaar, en zoals gebruikelijk missen we een schakel. Het is, op deze manier uitgelegd, alsof de skinhead en zijn voorgangers in Mölln en Rostock en degenen die na hem zullen komen in een stad waarvan we de naam nog niet kennen, onherroepelijk zijn gedetermineerd. Natuurlijk, zegt deze woordvoerder van de overheid tussen de regels, wat kunnen we anders verwachten? Een moeilijke jeugd leidt tegenwoordig nu eenmaal tot brandstichting en dan het liefst in huizen waar Turken wonen. Er wordt niet gevraagd hoe het mogelijk is dat bij een zestienjarige de haat al zo diep is geworteld, of hoeveel jaar er überhaupt nodig is om haat diep in de hersenen, of in een hersenloze schedel te laten wortelen. De haat is een gegeven, het onvermijdelijk gevolg van een moeilijke jeugd. Velen hebben een moeilijke jeugd gehad, niet alleen in Duitsland.

Dat de moeilijke jeugd voorbestemt tot wangedrag en misdaad is een vergissing die niet is voorbehouden aan Duitse woordvoerders, maar die overal wordt gemaakt, de impliciete gewoontevergissing. Natuurlijk, een moeilijke jeugd! En toch is het zeer waarschijnlijk dat de meeste jongelui met een moeilijke jeugd, als daardoor al haat wordt veroorzaakt, niet zijn voorbestemd tot het brandstichten in huizen van vreemdelingen of in Nederland het "in elkaar slaan' van toevallige passanten of cafébezoekers.

De gebeurtenissen in Duitsland, van de val van de Muur tot de moorden in Solingen vormen een ingewikkeld en ingrijpend complex dat voor een deel typisch Duits is en voor een ander deel Westeuropees. De Duitse geschiedenis van de afgelopen vier jaar is ook Westeuropese geschiedenis. Duitsland toont in versneld tempo, op grootbeeld en tegelijkertijd in microscopisch detail, de gang van de Westeuropese geschiedenis door de vraagstukken die ons na het einde van de Koude Oorlog hebben verrast.

Een onderdeel van dit complex is wat we eufemistisch "het vreemdelingenbeleid' noemen. De Duitsers hebben daarmee een veel langere ervaring dan alle andere Westeuropese volken. Vóór de twee Duitse staten ontstonden, tussen 1945 en 1949, hebben vooral de drie westelijke bezettingszones ongeveer viereneenhalf miljoen vluchtelingen opgenomen uit de gebieden die aan Polen en de Sovjet-Unie waren afgestaan. Na de vorming van de Bondsrepubliek, in 1949, werd West-Berlijn het voorportaal waardoor er nog eens een paar miljoen zijn binnengekomen. Zelfs het jaar na de bouw van de Muur, in augustus 1961 hebben er nog 21.500 het Westen bereikt.

Intussen had zich het Wirtschaftswunder voltrokken, en daarmee waren zoals in andere Westeuropse landen de "gastarbeiders' verschenen. Ze waren niet meer "gast'arbeider dan anno 1920 een immigrant in de VS, maar lang heeft men de illusie gehandhaafd dat ze nog weleens naar hun land van herkomst zouden terugkeren. Een politieke vergissing van de eerste orde, en zoals de meeste politieke vergissingen, geboren uit gemakzucht en gebrek aan verbeeldingskracht.

Landgenoten en gastarbeiders "voor het vuile werk'; het valt niet te ontkennen, maar het gevolg was in ieder geval dat tussen 1950 en 1977 de bevolking van de Bondsrepbliek met 21 procent toenam, en dat in die periode er geen uitbarsting van vreemdelingenhaat is geweest, vergelijkbaar met wat we nu beleven. Het het Duitse vreemdelingenbeleid is in juridische en materiële zin al die jaren relatief ruimhartig en tolerant geweest. De Duitsers hebben zich volgens de wet gedragen en tot niet lang geleden hun xenofobe minderheden in bedwang weten te houden.

Na het einde van de Koude Oorlog is alles anders geworden. Door zijn ligging en zijn legendarische welvaart was Duitsland al het ideale doel voor vluchtelingen; de Europese ontwikkelingen van de afgelopen vijf jaar hebben het tot een mekka gemaakt. Maar niet alleen Duitsland, heel West-Europa is immigratiegebied, en dat zal het nog lang blijven terwijl de bereidheid om het te zijn snel afneemt. De drang uit de voormalige communistische landen en de arme gebieden in Azië en Afrika om de vetpotten van het Westen te bereiken wordt er niet kleiner op. Gebruiken we dit onbewijfelbare gegeven voor onze balans, bijna drieëneen half jaar na het einde van de Koude Oorlog, terwijl in Solingen de vreemdelingenhaat de eerste tekenen van een pogrom vertoont; een overzicht met een debet- en een creditzijde.

Ten eerste is er aan de debetzijde een onweegbare post. Hebben veertig jaar Koude Oorlog in het Westen een oorlogsmoeheid veroorzaakt zoals er een oorlogsmoeheid is geweest na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog? Waarschijnlijk, hoewel het niet als oorlogsmoeheid wordt beschreven. De oorlogvoerende partijen hebben het strenge verband van hun organisatievorm verloren, het Warschaupact is snel opgedoekt en de NAVO toont haar gebrek aan besluitvaardigheid in de Joegoslavische crisis. De oorlogsmoeheid drukt zich uit in de afkeer van grote ondernemingen op internationaal terrein en een concentratie op binnenlandse vraagstukken. De poging van president Bush om een Nieuwe Wereldorde te stichten, zoals de overwinnaars van na de Tweede Wereldoorlog na verloop van een paar jaar de westelijke orde levensvatbaar wisten te maken, is mislukt. Oorlogsmoeheid laat zich herkennen aan de onverschilligheid jegens ieder ideologisch engagement. De afwezigheid van een grote militaire bedreiging heeft het triomferend bondgenootschap feitelijk zijn bestaansrecht ontnomen. Daarmee is de collectieve bereidheid tot grote internationale inspanningen voorlopig verdwenen.

Ten tweede heeft de overwinning in de Koude Oorlog ieder land van het westelijk bondgenootschap de tijd en de gelegenheid gegeven voor een grondige inventarisatie van de binnenlandse toestand. Daaraan heeft Clinton zijn verkiezingsoverwinning te danken. Bush was nog een produkt van de Koude Oorlog. Hij was de executeur van Reagan die de eindfase van de worsteling voor zijn rekening had genomen. Star Wars, slagschepen uit de mottenballen, en een in vrijwel alle opzichten verwaarloosd binnenland met als sluitstuk het gigantisch begrotingstekort.

De onwaarschijnlijke omvang van de Amerikaanse binnenlandse vraagstukken heeft een afkeer van de internationale politiek noodzakelijk gemaakt. De Europese bondgenoten waren op een andere manier in dezelfde situatie geraakt. Overal werd de crisis van de verzorgingsstaat nu pas goed ontdekt, merkwaardigerwijze doordat de eerste remedie, het Thatcherisme, de privatisering, als panacee was mislukt. Symptomen die al veel eerder waren gesignaleerd maar die door de combinatie van Koude Oorlog en economische conjunctuur gebagatelliseerd konden worden, waren plotseling oorzaak van de langdurige crises waarin de Westeuropese verzorgingsstaten zich nu bevinden. De verzorgingsstaat is binnen een paar jaar van rotsvast, tijdloos fundament van zekerheid geworden tot oorzaak van dagelijkse twijfel en kritiek.

Ten derde hebben de westelijke landen de afgelopen vier jaar weliswaar de landen van het voormalige oostblok miljarden hulp gegeven, maar die heeft tot een paradoxale situatie geleid. Behalve in Polen en Hongarije is er geen gestage ontwikkeling naar de beoogde politieke stabiliteit ingezet, maar wel is het oosten met lage loonkosten en goedkope grondstoffen op de westelijke markten verschenen. De hulp, omvangrijk maar niet volgens een doordacht plan, en op lange termijn gegeven, werkt ten nadele van de westelijke economieën zonder dat de westelijke politieke doelen - voorzover al samenhangend geformuleerd - ermee zijn bereikt. De westelijke politiek tegenover de vroegere tegenstander is geen totale mislukking, maar wat bereikt is blijft ver achter bij het doel dat de overwinnaars zich hadden moeten stellen.

De vierde post op de balans is de recessie die het aantal langdurig werklozen in alle westelijke landen tot miljoenen heeft doen oplopen terwijl nergens een duidelijk beeld bestaat van de manier waarop het economisch herstel moet worden aangepakt. Dit gebrek aan oplossing leidt tot afbraak van de gevestigde partijen en politieke onverschilligheid bij de kiezers.

Verval van de verzorgingsstaat, recessie en gebrek aan tegenmaatregelen versterken, ten vijfde, een ontwikkeling die al jaren gaande is maar die nu voor het eerst een zwaardere politieke betekenis dreigt te krijgen. De politieke structuur van de westelijke democratieën wordt aangetast. In een open samenleving die mobiliteit tussen de onderscheiden sociale lagen toeliet en aanmoedigde, groeit een onderkaste waaraan die mobiliteit ontzegd is. In de Verenigde Staten, met enige miljoenen daklozen, meer dan dertig miljoen onder de armoedegrens en stadsdictricten - abandoned areas - waar de overheid de moed op herstel heeft opgegeven, is die kaste al jaren een politiek gegeven. In West-Europa moeten we er nog aan wennen, en dat zal nodig zijn omdat ook hier de overheden niet bij machte zijn de groei van de armoede te keren.

Ten zesde: alle pogingen om een zo'n fundamenteel vraagstuk aan te pakken wekken de indruk dat ze blijven steken, zelfs al worden resultaten van enige betekenis bereikt. Voor een deel is dit het gevolg van de bureaucratie die zich tussen de kiezers en de politiek heeft gevestigd en die zich direct, op alle gebieden van het dagelijks leven, laat gelden: de openbare veiligheid, de huisvesting, de gezondheidszorg, de rechtspleging, de economie van alle dag, dat wil zeggen het gewone geld verdienen en belasting betalen. Naarmate de bureaucratie een groter obstakel is tussen de burger en wat hij begeert, wordt de minachting van de burger voor de politicus groter. Voor een ander deel is het de schuld van de politici en de bestuurders zelf die, beantwoordend aan de eisen van de moderne public relations en de reclame, altijd meer beloven dan ze kunnen geven en dus teleurstelling veroorzaken.

Oorlogsmoeheid, de crisis van de verzorgingsstaat, een ontoereikende politiek tegenover de vroegere tegenstander, de economische recessie, het ontstaan van een onderkaste, de frustraties van de bureaucratie tegenover de grote beloften van de reclamepolitiek: ziedaar zes posten op de debetzijde van onze Westeuropse balans. Terwille van de overzichtelijkeid staan ze hier gescheiden opgesomd maar in werkelijkheid hangt natuurlijk alles met alles samen. Het is een complex.

Wat staat er op onze balans tegenover? Niets dat verhoudingsgewijs het noemen waard is. De betekenis van dit complex is door de politieke elite die het Westen de afgelopen vijf jaar heeft geleid, op een onwaarschijnlijke manier onderschat. Het geheel van de vier vredesjaren overziend komen we tot de conclusie dat de leiders van het Westen de lopende zaken hebben behartigd en de grote niet lopende zaken voornamelijk uit de marge bezichtigd. Ze hebben òf niet de verbeeldingskracht gehad, plannen op langere termijn te maken, òf ze hebben niet de moed gehad om de voorschriften van hun verbeeldingskracht te volgen. Ze hebben zich gekoesterd in hun eigen hoop en die van de kiezers op de ongestoorde continuteit, en als die werd verstoord met medewerking van de kiezers het vraagstuk in quarantaine gezet. In het kort gezegd: in tegenstelling tot hun voorgangers tussen 1945 en 1950 zijn ze er niet in geslaagd, de wederopbouw als een internationaal systeem te beschouwen.

Ik kom terug op de Solinger skinhead en zijn makkers in wie door hun moeilijke jeugd een diepgewortelde haat zou zijn gegroeid, waardoor ze zouden zijn voorbestemd huizen van vreemdelingen in brand te steken. Van ganser harte hopend dat ze goed worden bestraft, en wel zodanig dat niemand met een ongelukkige jeugd het nog in zijn hoofd zal halen hun voorbeeld te volgen, wil ik toch iets tot hun verdediging in het midden brengen.

Het haten op zichzelf is niet een monopolie van skinheads of andere bijzonder uitgedoste messentrekkers. Haat heeft twee aspecten van algemener betekenis: het is ook een verschijnsel dat in een bepaalde maatschappelijke, een beperkte context beter gedijt en in een andere helemaal geen kans krijgt. Bovendien is er een ruimere context: in de ene cultuur wordt haat hoger aangeslagen dan in de andere.

Zoals we weten zijn er min of meer besloten omgevingen waar haat wordt gekweekt: op sommige tribunes in de voetbalstadions, in de treinen die de liefhebbers vervoeren, in het verkeer bij de laatste parkeerplaats en op de scheidslijn tussen auto's en fietsers, in besloten bijeenkomsten van sommige politieke partijen. "Typisch Duits' zijn al die omgevingen niet. Het blijkt in ons welvarende en gematigde Westen buitengewoon moeilijk te zijn er iets aan te doen.

In ruimere zin opgevat is de haat een bestanddeel van de cultuur, en als zodanig is de haat als omgangsvorm de afgelopen kwart eeuw steeds dieper in onze samenleving doorgedrongen. Haat is niet meer alleen de psychische motor waarmee in het uiterste geval conflicten worden beslecht. Haat is een consumptieartikel. In die hoedanigheid staat de haat op het uiterste streepje van de schaal die de gradaties in extase weergeeft. Extase op zichzelf hoort tot de verworvenheden van de consumptiemaatschappij. Er is een cultuur van extase gegroeid die zich laat waarnemen op popconcerten, in de sport, in happenings, rapsongs en kunstmanifestaties waar het om actie te doen is, we hebben intussen een rijk scala aan extase bevorderende middelen, de overheid voert een strijd tegen wat we noemen de uitwassen van de extase, maar intussen is het naar de normen van menigeen aanbevelenswaardig de blits te maken, de show te stelen door te laten merken dat men behoorlijk in extase is geraakt.

Haat is een vorm van extase, misschien zelfs de opperste vorm. Ook dit wordt ons ieder ogenblik in het dagelijks leven aan het verstand gebracht. Extase, wel een paar keer per week op het journaal te zien, wordt veroorzaakt door het in brand steken van auto's, om te beginnen, en het ingooien van ruiten. Via de televisie beleven we in het voormalig Joegoslavië een permanente Kristallnacht zonder dat we er nu al twee jaar veel bijzonders aan doen. De haat van en tegen de mafia is door Mario Puzo tot een wereldomvattende bestseller verwerkt. Daar gaat het, zoals degenen weten die zich de film en vooral het boek herinneren, niet meer om de romantische haat zoals die door Edmond Dantes de Graaf de Montechristo tegen zijn belagers werd gekoesterd. Het is rauwe haat, om derwille van de haat. Die vorm van haat wordt in onze cultuur genormaliseerd tot consumptieartikel.

Ik ga hier niet in op de psychologische oorzaken van de haat. Het gaat me om de voorwaarden waardoor de haat tot een maatschappelijke factor van de eerste orde kan worden. De afgelopen kwart eeuw en de laatste vier jaar in het bijzonder hebben we niets nagelaten om de vruchtbare voorwaarden voor de haat te kweken. We hebben alles dat de haat zou kunnen beteugelen op zijn beloop gelaten. Dat heeft onder onze passieve blikken onze politieke elite gedaan. En daarbij is het de culturele elite gelukt, de haat te fatsoeneren, salonfähig te maken, tot een aspect van het dagelijks leven te bevorderen. En als we ontdekken dat die genormaliseerde haat de motor is van de terreur dan doen we een poging, de terrorist in quarantaine te zetten door te verwijzen naar zijn moeilijke jeugd.

Om alle misverstand te vermijden: ik heb niets ten gunste van de Solinger skinheads in het midden te brengen. Maar we moeten bedenken dat ze hun terrorisme uitvoeren in een maatschappij waarvan de leiding weinig heeft nagelaten om een diepe crisis te veroorzaken, in een cultuur die haat als consumptieartikel beschouwt - tot er moorden op volgen. We hoeven de persoonlijke verantwoordelijkheid niet te bagatelliseren om eens grondig na te gaan wat de inhoud van de collectieve verantwoordelijkheid is.