Franse roep om protectionisme steeds luider; Recessie en groeiende werkloosheid baren Parijs grote zorgen; Frankrijk ziet vooral gevaar in Aziatische "tijgers' en China

PARIJS, 11 JUNI. De economische recessie en de explosief groeiende werkloosheid - het aantal werklozen zal in de EG eind dit jaar tot 17 miljoen zijn gestegen - leiden in Frankrijk tot een nieuwe roep om protectionisme. Dat kan van grote invloed zijn op het vervolg van de GATT-onderhandelingen over liberalisering van de wereldhandel. Behoud van bestaande werkgelegenheid, vooral in de industrie, is een steeds belangrijker wordende overweging voor de regering in Parijs.

Premier Balladur heeft de Franse opvattingen over de voltooiing van de GATT-onderhandelingen onlangs vastgelegd in een memorandum aan de regeringen van de overige EG-landen en de Europese Commissie, die namens de Gemeenschap in de GATT onderhandelt. Dit memorandum is in Brussel en elders met beleefde woorden ontvangen, maar heeft overigens weinig indruk gemaakt. Balladur heeft de Franse opvattingen gisteren persoonlijk toegelicht tegenover de Europese Commissie. Volgende week gaat hij naar de Amerikaanse president Clinton.

De afwijzing door Parijs van het landbouwakkoord van Blair House tussen de EG en de VS dat voorziet in beperking van de subsidiëring van de produktie en van de export van landbouwprodukten, heeft tot nu toe veel aandacht gekregen. Maar het memorandum bevat andere voorstellen die even protectionistisch zijn als de Europese gemeenschappelijke landbouwpolitiek altijd al was. De voorstellen komen er in het kort op neer dat Europa een ander handelsbeleid moet voeren dat moet verzekeren dat “Europa niet minder beschermd is dan zijn industriële concurrenten”.

Met die concurrenten worden niet langer in de eerste plaats de VS of zelfs Japan bedoeld, maar de nieuwe Aziatische industrielanden zoals Taiwan, Zuid-Korea, Singapore en Thailand. En nog meer de Volksrepubliek China waar ten minste 100 miljoen mensen werkzaam zijn in een primitief kapitalistisch produktieproces dat de Europese markt met goedkope produkten overspoelt. Frankrijk zou het liefst willen dat de EG op de vrijgemaakte binnenmarkt een "Europese preferentie' voor industriële produkten invoert, zoals al lang het geval is bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

De Franse minister van buitenlandse zaken Juppé stelt vanochtend in een interview in Le Figaro dat “er geen loyale concurrentie kan bestaan tussen ondernemingen die zoals in Frankrijk een extreem sophisticated sociale wetgeving toepassen, en ondernemingen die bijvoorbeeld kinderen van minder dan tien jaar laten werken. Er moet dus een regel tegen sociale dumping komen.” Juppé noemt een tweede voorbeeld: “Er kan geen loyale concurrentie zijn tussen ondernemingen die zich moeten houden aan een financieel kostbare milieuwetgeving en andere die kunnen doen wat ze willen omdat ze opereren in staten die zich niet druk maken over bescherming van het milieu.”

“Waarom zou Europa zich minder beschermen (tegen de concurrentie uit de Aziatische landen) dan andere landen”, aldus een anonieme adviseur van premier Balladur die in een Franse krant wordt geciteerd. En: “De GATT heeft niet tot doel Europa tot een gemakkelijke prooi te maken.” Europa is een regio in de wereld die uniek is wegens haar welvaart en sociale wetgeving, zo is de Franse opvatting en is dus meer dan een “vrijhandelszonezone die zich voor alle winden moet open stellen”, zoals ex-minister van defensie Chevènement onlangs in navolging van premier Balladur schreef.

Juppé hoopt "mondiaal' ingestelde EG-partners als Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland te overtuigen van de wenselijkheid van een Europese preferentie voor industriële produkten en diensten. “Ik geloof dat ze zich zullen laten overtuigen door de economische realiteit: iedereen heeft te lijden onder overplaatsing van ondernemingen naar goedkope produktielanden. Handarbeid kost in Duitsland 35 keer zo veel als in Tsjechië, en 70 keer zo veel als in Rusland of China.”

De opvatting dat Europa zich moet beschermen tegen de nieuwe concurrentie wordt door links en rechts in Frankrijk gedeeld. De opvatting dat Europa zich moet beschermen tegen goedkope concurrenten leeft ook bij directeuren van grote ondernemingen en niet alleen de nationale bedrijven. Jacques Calvet, president-directeur van de autofabrikant Peugeot/Citroen, voedt zijn langdurige strijd tegen de geleidelijke openstelling van de Europese en vooral Franse markt voor Japanse auto's met dezelfde argumenten. Frankrijk kent vier weken betaalde vakantie, pensionering op 60-jarige leeftijd en een sociale wetgeving die Franse auto's nu eenmaal, zelfs bij gelijke produktiviteit per werknemer, duurder maakt dan Japanse of Koreaanse, is zijn argumentatie. Calvet: Wie de deur open zet voor de Japanse auto's - zoals Frankrijk nu gedwongen is te doen - riskeert die sociale verworvenheden.

De afkeer van de vrijhandel en de GATT die in het traditioneel protectionistisch ingestelde Frankrijk altijd onder de oppervlakte schuilt, heeft een nieuwe impuls gekregen door wat de factor-China wordt genoemd. De bekende publicist Alain Minc constateerde in een artikel in Le Monde dat het “Gatt-model stamt uit een universum toen anderhalf miljard consumenten buiten de markt-economie leefden. Met vrij verkeer van kapitaal en technologieën zal de concurrentie onverdraaglijk zijn met Chinezen die sterk zijn door hun kapitalistische chromosoom, hun produktiviteit, hun kapitaal en die even efficient werken als wij, voor dertig maal lagere kosten”, aldus Minc.

De "Chinese explosie' luidt het einde van het GATT model 1945 in, aldus Minc. Hij bepleit een intelligente samenspraak met onder andere Duitsland over uitbreiding van de "communautaire preferentie' (in de EG) tot de industrie en de dienstensector.

Hetzelfde nummer van de krant waarin Minc het GATT-beleid van Balladur van nieuwe argumenten voorzag, bevatte een paginagrote advertentie van de textielindustrie uit acht EG-landen met de boodschap dat “onaanvaardbare GATT-akkoorden vijf miljoen arbeidsplaatsen in Europa bedreigen”. Een van de klachten van de textielproducenten uit de EG (alleen Engeland, Nederland, Italië en Luxemburg deden niet mee) luidt niet toevallig dat Brussel niet toeziet op de naleving van het textielakkoord met China: het vastgestelde quotum voor import uit de Volksrepubliek zou met 291 procent zijn overschreden.

De opkomst van de nieuwe industrielanden in Azië wordt door de Franse regering aangegrepen om de afwijzing van het landbouwakkoord met de Verenigde Staten in een nieuw kader te plaatsen. “Achter de boom van de landbouw is het woud van de industrie. Wij werken voor de verdediging van de communautaire produktie”, zei minister Lamassoure (Europese zaken). Voor een deel is dit onderhandelingstactiek. Maar er is ook sprake van een fundamenteel andere beoordeling van de inzet bij de onderhandelingen: het gaat de regering - en de oppositie - in Parijs meer dan ooit om bescherming van bestaande werkgelegenheid.