Filosofie

Graag stem ik in met Jaap van Heerden (De wijsgerige pose, CS-Literair, 21 mei 93) als hij vraagtekens zet bij het geflirt tussen filosofen en literatoren, maar zijn hoofdargument deel ik niet.

Volgens hem zoeken schrijvers en literatuurcritici ten onrechte ideeën in de filosofie, omdat het in de filosofie primair om argumenten gaat. Volgens mij moet Van Heerden en een groot deel van de internationaal spraakmakende "analytische' filosofen van de laatste 25 jaar juist verweten worden dat ze zich teveel wentelen in scherpzinnig argumenteren en te weinig aandacht besteden aan het bedenken en uitwerken van constructieve ideeën.

De grote doorbraken in de twintigste-eeuwse filosofie zijn juist enkele krachtige ideeën, denk aan het falsificatie-idee van Popper en het daarbijbehorende deductieve toetsings- en verklaringsmodel van Hempel of aan de "sluier van onwetendheid' van Rawls. Alle drie maken nog zelf mee dat een groot deel van de hedendaagse wetenschapsfilosofie respectievelijk sociale filosofie bestaat uit voetnoten bij hun ideeën, zoals de gehele westerse filosofie wel een eindeloze rij voetnoten bij Plato wordt genoemd.

Hoewel Quine, Davidson, Putnam en zelfs Rorty wellicht een zekere plaats in de filosofiegeschiedenis zullen krijgen is dat niet zozeer omdat zij zulke sterke, goed overdraagbare ideeën hebben bedacht en uitgewerkt, maar vooral omdat ze collega-filosofen, vaak scherpzinnig, maar even vaak met behulp van vage algemeenheden, aan de praat hebben gehouden. Ze worden door participanten en toeschouwers getooid met de benaming "analytisch filosoof', maar van een constructief-analytische opstelling à la Tarski, Carnap of Kripke is steeds minder te merken.

Van Heerden speelt met zijn betoog het postmodernisme in de kaart. Postmodernisten sturen ideeën en argumenten op vakantie. Van Heerdens relativering van ideeën kan gemakkelijk gevolgd worden door relativering van argumenten, want waar zijn die nog goed voor, als ze over niet serieus te nemen ideeën gaan?

Uiteraard ben ik het eens met Jaap van Heerden als hij stelt dat de grote romanschrijvers met filosofische neigingen, waarbij ik persoonlijk vooral denk aan iemand als Mulisch, er beter aan doen hun uitzonderlijke talent niet op te offeren aan hun daarmee vergeleken veel geringere talenten. Wie op de filosofische strekking van De ontdekking van de hemel afgaat, zou De compositie van de wereld in romanvorm geschreven trouwens veel beter pruimen. En voor AKO- en andere jury's van literaire prijzen moet van tweeën één gelden. Óf filosofische kwaliteiten worden nadrukkelijk meegewogen, en dan hoort er tenminste een heldere filosoof in de jury te zitten, óf men beperkt zich tot de literaire kwaliteiten.