"Een Amerikaanse acteur die bekent aids te hebben kan het verder vergeten'; Ron Vawter speelt twee extreme personen met superieure inleving

Roy Cohn/Jack Smith, 16 t/m 19/6, 22, 23, 25 en 26/6 in Felix Meritis,Amsterdam. Res: 020 - 6231311. 16/6 Benefietvoorstelling t.g.v. Aidsfonds, entree minimaal ƒ 100,-

De avond van de voorstelling springt hij nog kwiek het toneel op, de volgende dag loop ik naast een oude man. Hij heeft pijn, vertelt hij, bij iedere stap prikken honderd spelden in zijn voetzolen. "Neuropathie' heeft de dokter zo algemeen mogelijk vastgesteld: waarschijnlijk niet door het virus veroorzaakt maar door de medicijnen. Grappig, niet? Hij gaat nu, direct na de voorstellingen in Frankfurt en vóór de reeks in Amsterdam, kuren in een Italiaans oord met modderbaden. Wie weet helpt dat.

Acteur Ron Vawter (44) heeft aids. Voor het begin van zijn solovoorstelling "Roy Cohn/Jack Smith', - alvorens het toneel op te springen dus - meldt hij het publiek dat hij ziek is, ergens halverwege een algemene toelichting. Daarin vertelt hij dat de machtige advocaat Roy Cohn tot aan zijn dood in 1986 een van de belangrijkste tegenstanders was van gelijkberechtiging van homoseksuelen. De man was zelf homoseksueel en stierf aan aids. Jack Smith, de tweede helft van de titel van Vawters voorstelling, was filmer en theatermaker. Hij was een uitzinnige excentriekeling, een relnicht, die vooral bekend werd met zijn film Flaming Creatures, uit 1962. Zijn werk benvloedde Andy Warhol, de theatermakers Robert Wilson en Robert Foreman en vele andere kunstenaars. Smith woonde, net als Cohn, in New York City en stierf net als hij aan aids, in 1989.

Ondanks de trieste overeenkomst tussen de beide geportretteerden en tussen hen en hun vertolker, benadrukt Vawter de dag na zijn optreden in het Frankfurter Theater am Turm dat zijn ziekte niet de aanleiding was tot het maken van Roy Cohn/Jack Smith. “Ik hoorde in 1989 dat ik seropositief was, maar ik heb er toen werkelijk niet aan gedacht theater te maken van de angst en de nachtmerries die dat bericht teweegbracht. Toen begin 1992 vastgesteld werd dat ik aids had, was de voorstelling al klaar. Ik breng het publiek op de hoogte van mijn ziekte, omdat die overeenkomst er nu inderdaad is, maar vooral omdat ik er openhartig over wil zijn. Mijn voorstelling gaat over onderdrukking - Cohn en Smith waren de produkten van een intolerante samenleving. Beiden reageerden op een extreme manier op het taboe op homoseksualiteit, de ene door nichten te verketteren, de andere door van zijn seksualiteit een cultus te maken. Openhartig zijn over aids is ook taboe - en dat taboe wil ik doorbreken.”

Roy Cohn zou een treffend bewijs kunnen zijn voor de stelling dat er puur slechte mensen bestaan. Als briljant jong jurist was hij de rechterhand van senator Joseph McCarthy, die in de jaren vijftig een heksenjacht ontketende op iedereen die hij verdacht van communistische sympathieën. Aan de duizenden slachtoffers van die terreur voegde Cohn op zijn eentje nog eens duizenden toe, nadat hij in de jaren zeventig was uitgegroeid tot de machtigste advocaat van New York. De foto die Robert Mapplethorpe begin jaren tachtig van hem maakte, illustreert zijn reputatie precies: temidden van hermetisch zwart lijkt zijn schuin van bovenaf gefotografeerde gezicht dat van de duivel zelf.

Vawter: “Het vroegste beeld dat ik van hem heb is dat van de jongeman die tijdens de verhoren in de jaren vijftig fluisterend naar McCarthy voorover buigt. Toen al waren homoseksuelen en joden zijn geliefde slachtoffers; Cohn was zelf homoseksueel en jood en hij verachtte ze omdat hij ze stumperds vond. Hij liet zich uitsluitend in met machthebbers. In New York was hij de advocaat van de drie grootste uitgevers én van de mafia, maar ook van het gemeentebestuur en van de top van de katholieke kerk. Hij heeft tallozen van hun baan en status beroofd, op verzoek of uit eigener beweging, omdat hij ze van homoseksuele voorkeuren verdacht. Wie wat gedaan wilde krijgen, legaal of illegaal, belde Roy Cohn. Dat hij intussen, gewoon met zijn vriendje, op bezoek ging in het Witte Huis van Ronald Reagan, was een deel van de lol.”

Jack Smith is de tegenpool van Roy Cohn. Zijn film Flaming Creatures inspireerde Susan Sontag tot de uitvinding van het begrip "camp', de opzettelijk kitscherige smakeloosheid, de tot cult verheven anti-esthetiek. In de op Smiths zolder opgenomen film kleedt een aantal travestieten, "vampieren' en ander ongeregeld zich aan en uit - tijdens een "aardbeving'. Het bizarre wankelen van de spelers in combinatie met het bloot leidde direct tot een vertoningsverbod, hetgeen de mythe rond Smith nog vergrootte. Smith vond de "expanded cinema' uit: voor iedere vertoning monteerde hij zijn films opnieuw, een gewoonte waarmee hij menig criticus in verlegenheid bracht.

Vawter: “Hij was in alle opzichten onaangepast: hij eiste dat de samenleving zich aan hem aanpaste. Daarom introduceerde hij bijvoorbeeld de traagheid als stijlkenmerk, in zijn films maar ook later in zijn theaterwerk. Hij stelde het publiek ermee op de proef. Hij kwam rustig twee uur te laat het toneel op en frummelde dan een uur lang aan het doek om vervolgens van enkele dames op de eerste rij die hem niet aanstonden de jurk onder te kotsen. Hij improviseerde dan wel ter plekke een dansje om dicht genoeg in hun buurt te komen!”

Vawter speelde de rol van Smith al eerder, in Dionysos in 90, een voorstelling van de Amsterdamse theatermaker Rob Malasch. Zat hij toen in een boot, nu zetelt hij op een troon, maar voor het overige is er nauwelijks verschil. Lallend en moeilijk verstaanbaar draagt de als hippiefreak verklede Vawter een louter associatieve tekst voor, een bewerking van de Smith-voorstelling Whats Underground about Marshmallows uit het begin van de jaren tachtig. Op het achterdoek worden dia's geprojecteerd, waarop "Smith' en zijn mascotte, een pinguin, op lokaties in Amsterdam te zien zijn. De door Bob van Dantzig gefotografeerde beelden zijn gebaseerd op diaseries van Smith.

Het Roy Cohn-gedeelte is geschreven door Gary Indiana op basis van een niet-geregistreerde speech die Cohn in 1978 hield voor The American Association for the Preservation of the Family. Het is een haatmonoloog, die vreemd genoeg vaak ook geestig is vanwege de Archie Bunker-achtige passages.

De acteur Vawter, die voor de door zijn levenspartner Gregory Mehrten geregisseerde voorstelling een OBIE-Award ontving, is van een zeldzaam kaliber. Hij speelt de beide extreme personages met superieure inleving. Die wordt bijna zichtbaar tijdens de twee korte pauzes die hij inlast in het met joods Bronx-accent voorgedragen Cohn-deel. Hij stapt dan opzij, neemt een slok water, en kijkt het publiek in, de tweede keer hijgend, alsof hij uitgeput is. Vawter kan het ontstaan van beide momenten zelf niet goed verklaren.

“Ik zie ze nu als gelegenheden waarop Cohn zich op een andere manier laat kennen. Ieder mens heeft verschillende verschijningsvormen en hier legt Cohn zijn gewelddadige masker even af voor een moment van contemplatie. Voor mijzelf is het een kans om me opnieuw te concentreren. Als ik me ontspan, vind ik weer aansluiting met de figuur die ik speel. Toen ik de rol instudeerde, speelde ik 's nachts als ik sliep een band met de stem van Cohn zachtjes af. Het is een bijna fysieke methode, waarmee ik naar mijn gevoel mijn onderbewustzijn doordrenk met het personage dat ik spelen moet”.

Vawter maakt deel uit van The Woostergroup van regisseuse Liz Lecompte, de oudste avantgarde theatergroep van New York. Hij belandde er in het begin van de jaren zeventig, aanvankelijk als administratieve kracht, later als acteur. Hij is autodidact, als kind van in het leger werkzame ouders werd hij opgeleidtot militair. Behalve in vrijwel alle produkties van The Wooster Group was hij te zien in films als Sex, lies and Videotape, Swoon, Internal Affairs en Silence of the Lambs. Het weekblad The Village Voice riep Vawter ooit uit tot 'Saint Ron, New York's Best Unknown Actor'.

Vawter: “Die onbekendheid is deels terug te voeren op mijn uitgesproken voorkeur voor theater. Van film zijn alleen de budgetten interessant, zeg ik weleens: in theater heb je oneindig veel meer controle over je prestaties. In die zin is theater voor althans een acteur een artistiek veel belangwekkender kunstvorm. In Europa onderkent men dat, hier kan een theaterregisseur een beroemdheid zijn, bij ons niet.”

Ook om andere redenen is "Hollywood' voor Vawter geen plaats waar hij graag vertoeft. “Juist daar waar velen aan de ziekte lijden, is het taboe rond aids het grootst. Een acteur die bekent aids te hebben, kan het verder vergeten: hij is onverzekerbaar en wordt dus niet meer gevraagd. Behalve een virusziekte is aids een sociale ziekte. Mij lijkt dat niet goed voor je gezondheid: ik weiger ook nog eens onder de stress van een leugen te leven. Ik betreur dat ik aids heb, maar schaam me er niet voor. Ik heb pech gehad, zoals veel anderen, en dat is alles. Bovendien wil ik laten zien dat aids hebben niet betekent dat je al dood bent. Ik heb nog zoveel plannen. Ik ga in Heiner Müllers Filoktetes spelen, in de regie van Jan Ritsema en in Becketts Happy Days, geregisseerd door Susan Sontag. Ik speel mee in Jonathan Demmes nieuwe film Philadelphia en van Roy Cohn/Jack Smith gaan we een filmversie maken. Mijn fantasieën en angsten weerhouden me er niet van te leven. Integendeel, ik leef intenser dan ooit. En dood ben ik pas als ik dood ben.”