Dorstig naar liefde; Onspectaculaire roman van Oscar van den Boogaard

Oscar van den Boogaard: Bruno's optimisme. Uitg. Querido. 224 blz. Prijs ƒ 34,90.

Zoveel is na drie romans van Oscar van den Boogaard wel duidelijk: voor komiek is hij niet in de wieg gelegd. Humor en ironie zijn aan hem niet echt besteed, net zo min als aan zijn romanfiguren. ”Relativeren. Dat is moeilijk voor hem. Zijn leven lijkt een aaneenschakeling van Absolute Momenten', zo wordt ons over de held van zijn vorige roman Fremdkörper (1991) meegedeeld. Hij leeft er niet zomaar wat op los, maar streeft doelen en idealen na. Hij is uit op ware, zuivere liefde. Geen wonder dat hij eenzaam is en onbegrepen, een buitenstaander, een ”Fremdkörper'.

Toch stond Van den Boogaard zich in zijn eerste twee romans nog wel eens een enkele stilistische of inhoudelijk frivoliteit toe. In zijn debuut Dentz (1990) was hier en daar een metafoor te vinden of een eigenaardige manier van zeggen. Zo kon een werkster ”als een bedwelmde odalisk' op een bank liggen, terwijl moeder Dentz in de keuken stond te ”stoeien' met een kalkoen. Grappig waren ook de vele schietgebedjes die omhoog werden gezonden en waarin God bij voorbaat werd bedankt voor Zijn loyale medewerking. In Fremdkörper mocht de hoofdpersoon er naast zijn uiterst serieuze zelf een tweede identiteit op na houden: die van Thorpe, een stoere figuur uit een western. ”Thorpe hits the floor', denkt hij, als hij met zijn cowboylaarzen de dansvloer in een discotheek betreedt.

Frivoliteiten van dit type zijn afwezig in Van den Boogaards nieuweling, Bruno's optimisme. In weerwil van de opgewekte titel is de roman tamelijk zwaar op de hand. De stijl is sober en onspectaculair, op het zakelijke af. Beeldspraak en andere versieringen ontbreken. Geen enkele formulering treft door schoonheid, soms wel door uitgesproken lelijkheid. ”Ik had veel agressiever naar hem moeten zijn', peinst Bruno over een van zijn vroegere vriendjes. En over zijn eerste grote liefde merkt hij op: ”Hij was alleen maar met mij bezig, op een heel negatieve manier'.

Saai of vervelend is Bruno's optimisme intussen allerminst. De weinig oorspronkelijke stijl wordt ruimschoots gecompenseerd door de wat onhandige, maar ontwapenend directe manier van vertellen en door de onontkoombare onder-ons toon die Van den Boogaard ook nu weer weet te treffen. Die brengt een gezellige atmosfeer van medeplichtigheid met zich mee. Wij worden geacht op de hoogte te zijn; een enkele keer wordt rechtstreeks het woord tot ons gericht: ”Misschien word ik te lyrisch, maar sta mij deze ene overtreding toe, ik schat u in staat deze te boven te komen, eigenlijk heb ik u al vanaf de eerste regel serieus genomen. (-) Waar het om gaat is dat we ons leren openen voor het verhaal van de ander, voor het particuliere, voor het detail.' Het verhaal van Bruno is inderdaad behoorlijk particulier en gedetailleerd, al gaat het juist om zijn worsteling met ”de wereld' en verdiept hij zich daarbij bijna maniakaal in ”de anderen'.

Net als zijn voorgangers is Bruno's optimisme een familieroman. Voor Van den Boogaard is de familie, of het gezin, blijkbaar een onuitputtelijke inspiratiebron. Ook deze keer ziet een zoon zich voor de opgave gesteld om zich aan de invloed van zijn vader en moeder te onttrekken en een eigen leven op te bouwen, tegen alle cynische en pessimistische klippen op. Want steeds zijn het de ouders die al bij voorbaat roet in het eten gooien door hun kinderen voor te houden dat het in de wereld niet pluis is en dat de mensen niet deugen.

Van den Boogaard lijkt een vastberaden schrijver - in elk geval iemand met een plan. Bruno's optimisme is nog maar de proloog van een trilogie in wording, Het oceanisch verlangen getiteld. Behalve aan een verlangen naar zee, moet hierbij vooral gedacht worden aan een groot en existentieel verlangen, dat zich in deze verzuchting van Bruno laat samenvatten: ”Dorstig naar liefde en geborgenheid en verlossing'. Het zijn verlangens die zich moeilijk laten combineren. Er is niet alleen overgave voor nodig, maar ook een onafhankelijke, vrije geest. Over dit soort tegenstellingen gaat het in Bruno's optimisme: de tegenstelling tussen ik en de ander, tussen egosme en zelfopoffering, tussen eenzaamheid en opgaan in de liefde, tussen cynisme en optimisme.

Van den Boogaard maakt het zich niet gemakkelijk met zijn optimistische Bruno. Hij neigt naar het omarmen van de wereld en daarmee naar zelfopheffing. Dat gevaar bedreigt eigenlijk alle romanhelden van Van den Boogaard. Ze dreigen onder hun eigen positieve instelling te bezwijken en te verworden tot goedbedoelende, maar bleke en boodschapperige figuren met een verwisselbare identiteit. Maar misschien, en hopelijk, komt het in de volgende delen van de trilogie allemaal nog goed met onze Bruno.