De wolventijd

Het verhaal van een romance waarin maar geen schot wil komen.

Ze treffen elkaar in een park-achtige situatie, flats op de achtergrond, de Bijlmermeer misschien, of Alexanderpolder. Blauwe lucht, brandende zon. Het schijnt dertig graden te worden en het is niet voor het eerst dat ze elkaar treffen. Hun honden kwispelen. Die ruiken aan elkaar en rennen vrolijk weg, flank aan flank, nog een gewoonte uit de wolventijd.

De man: “Ze lijken wel verloofd.”

Ze knikt. Ze lacht. Het lachje van een meisje van de HBS. Ze is, denkt hij bezorgd, nog mooier dan hij dacht. O lieve God, wat is ze mooi vandaag.

De vrouw: “In een Franse film zie je twee mannen uit hun werk komen. De één komt uit de ene poort, de andere uit de andere. De ene gaat naar links, de andere naar rechts. Zo fietsen ze allebei tegelijk dezelfde straat in en dan hangen ze even bij elkaar tegen de schouder. Dus als de ene ziek is - dan rijdt de andere op zijn fiets die straat in, en dan valt hij om.”

Ze draagt een spijkerbroek. Een donker bloesje hangt luchtig op haar heupen. Wat is ze slank vandaag! Op haar borst gluurt het driehoekje van een hemd met bloemetjes.

De man: “In Franse films gaat alles zo gemakkelijk.”

En dan - tot ziens maar weer. Hij fluit zijn hond, zij roept de hare. Haar stem. Zijn stommiteit.