De wil om verticaal te zijn; De paradoxale gedichten van Roberto Juarroz

Roberto Juarroz: Verticale poëzie 1958-1988. Keuze en vertaling Mariolein Sabarte Belacortu. Uitg. Meulenhoff, 48 blz. Prijs ƒ 29,50.

Roberto Juarroz leest 14 juni op Poetry International. Op 18 juni wordt het aan hem gewijde vertaalproject gepresenteerd. Zondag 20 juni leest hij tijdens Poetry on the Road in Leeuwarden.

Wie ontbreekt in het volgende rijtje grote Latijns-Amerikaanse dichters van deze eeuw: Drummond de Andrade, Borges, De Melo Neto, Neruda, Paz? Antwoord: Roberto Juarroz, Argentijn, geboren in 1925. De voornaam moet er bij zo'n eerste vermelding echt bij, want Juarroz is nog niet gecanoniseerd in literatuurgeschiedenissen of encyclopedieën. Grillig toeval. Hij publiceert al vijfendertig jaar dichtbundels waarin hij keer op keer helderheid vermengt met terloopse diepzinnigheid. Borges en Neruda zal hij goed kennen; er zijn sporen van aan te wijzen. Misschien is een verklaring voor zijn betrekkelijke onbekendheid in zijn persoon te zoeken. Hij is vast niet iemand die zijn dichterschap graag rondbazuint; het zou haaks staan op de instelling die uit zijn werk spreekt.

In 1958 verscheen zijn eerste Verticale poëzie, een titel die daarna iedere bundel, tot en met de Dertiende verticale poëzie uit 1992, kreeg. De gedichten zelf hebben niet eens een titel, wat duidt op ongeloof in de pretentie dat dat wat is geschapen, bestendigd zou kunnen worden met een naam. In een van de gedichten staan wij, mensen, "in de rij / als een lijnrechte concentratie / van verbijsterde rietstengels.' Dit beeld past ook bij de gedichten. In de bloemlezing die dezer dagen in Nederlandse vertaling verschijnt, is goed te zien dat ze in de loop van de tijd formeel noch thematisch zijn veranderd.

Niet alle gedichten zijn sterk. Sommige zijn quasifilosofisch of flauw, zoals dat waarin het leven wordt voorgesteld als een tekst, met als slotstrofe: “Het gaat erom een komma iets krommer te buigen in een tekst die we niet kunnen corrigeren.” Wie in Nederland is niet allergisch voor deze haast verplichte beeldspraak? Maar andere, de meeste wat mij betreft, zijn ijzersterk.

Er is geen rijm, er wordt ook geen ander zwaar poëtisch geschut in werking gesteld, de woordkeus is elementair, met veel grote maar geen exotische of nadrukkelijk expressieve woorden. Maar achter die alledaagsheid gaat raffinement schuil. Hier en daar duikt God op als metafoor voor het menselijk verlangen naar orde en inzicht, een enkel gedicht is cyclisch, er is een metrumloos sonnet, het woordgebruik is hardnekkig wiskundig van karakter, maar woordkunstig is deze poëzie per se niet.

Romantisch trouwens ook niet. Verwijzingen naar een persoonlijke levensgeschiedenis ontbreken, en daarmee iedere zweem van een 'kijk-mij-eens-bijzonder-zijn'-toon. Zelden breekt een ik door. Op de achtergrond zoemt de hele geschiedenis waarin "wij' of "de mensen' woorden en stiltes inzetten om stand te houden. Gedachten bewegen gestaag door begrippen als tijden en categorieën en de geest van de mens stelt zich vragen over zijn plaats in het universum.

Dit hoogstbelangrijke maar zweverige thema is nauwkeurig vormgegeven, waarmee we zijn beland bij Juarroz' retorische middel bij uitstek: de paradoxen die elkaar op verbeten wijze verdringen. De grootste paradox is dat wat er staat nauwkeurig lijkt, terwijl het bij voorbeeld gaat om de ongrijpbare relatie tussen zijn en niet-zijn, individu en soort, tussen vorm en afwezigheid van vorm. Juarroz brengt oeroude verlangens in praktijk: het leven uittekenen en het betrappen.

De beelden die hij gebruikt zijn exact, overheerst als ze zijn door wiskundige termen. Het wemelt van de lijnen, verbindingen, punten, kanten, parallellen, luiken, en van woorden die beweging uitdrukken. Ze kunnen aanspraak maken op een status als onderdeel van een zoektocht naar bronnen en oervormen. Het resultaat is een helder maar begoochelend realisme vol schaduwen, al dan niet uit Plato's grot.

De titel Verticale gedichten benadrukt het gemis aan wat horizontaal bij uitstek is: uitzicht en lineair perspectief. Verticaal klinkt fermer dan horizontaal. De mens wil verticaal zijn, al is het maar door zich te beroepen op zijn opgerichte ruggegraat of kostuum. Hij is net zo verticaal als die rietstengel waarmee de filosoof Pascal hem vergeleek, de denkende rietstengel, die alles in zichzelf is maar wuift in onbekende winden. Horizontaal staat voor het onontkoombaar einde, de dood, en ook voor gemakzucht. Toch is Juarroz niet altijd eenduidig in zijn pleidooi voor een bepaalde levenshouding. Hij aarzelt tussen passiviteit en activiteit, maar toont hoe dan ook erbarmen met de behoefte van uniciteit: “Ieder mens heeft behoefte / aan een onvertaalbaar lied”.

Duidelijk mag zijn hoe aforistisch en filosofisch deze poëzie is. Met scepsis en paradoxen worden wezensvragen gesteld en beantwoord, maar de conclusie kan alleen luiden: “Men komt altijd aan,/ maar altijd elders.”

Soms wordt zien tot scheppen gepromoveerd. “Een netwerk van ogen / houdt de wereld bij elkaar”. Maar meestal geloven we onze ogen niet en zoeken we sluitender bewijzen voor onze werkelijkheid. "Een vogel uitvinden' is het fraaie beeld waarin Juarroz dit ongeloof vangt. In een van de gedichten tekent iemand ramen, almaar ramen, vooral geen deuren. De verklaring volgt. "Hij wilde alleen: zien'.

    • Barber van de Pol