De neergang van kunstverzamelaar en -sponsor Joost Ritman; Bereid elke prijs te betalen

Joost Ritman zag het als zijn plicht om zich, net als rijke kooplieden in de Gouden Eeuw, als een mecenas te gedragen. Met de winst van zijn bedrijf in wegwerpservies kocht hij oude manuscripten en boeken voor zijn Bibliotheca Philosophica Hermetica, verzamelde hij zeventiende-eeuwse kunst en kunstnijverheid op hoog niveau en sponsorde hij tal van exposities en restauraties. Maar ook toen zijn bedrijf verliezen ging lijden, bleef Ritman naarstig aankopen. Hoe de liefde voor kunst een succesvol zakenman te veel werd.

Nederlandse kunsthandelaren kijken in het vliegtuig altijd even onder hun plastic bordje. Staat er een sterretje op? Dan is het afkomstig van De Ster, het Amsterdamse bedrijf dat "disposable en rotable' serviesgoed produceert. Joost Ritman, tot voor kort eigenaar van De Ster, stak jarenlang de miljoenenwinst van zijn onderneming in de aanleg van een verzameling kunst, kunstnijverheid en boeken. Daarmee was hij de meest kapitaalkrachtige verzamelaar van Nederland, en een ruimhartig mecenas van de stad Amsterdam en van tal van musea en andere culturele organisaties. Ritman was ook een van de particulieren die onlangs een etsplaat van Rembrandt kocht - een voorstelling van Faustus - waarvan er begin dit jaar onverwachts 78 op de markt kwamen.

Maar Ritman gaf meer geld uit aan kunst dan zijn bedrijf winst maakte. Zelfs toen tijdens de Golfoorlog bij zijn grootste afnemer, de luchtvaart, de malaise toesloeg, bleef Ritman naarstig aankopen. De Stergroep ging verliezen lijden. Boekte het concern in 1989 nog een winst van 34 miljoen gulden, het jaar daarop stond het voor tien miljoen in de rode cijfers. Toch gaf Ritman in dat jaar 77 miljoen aan kunst en boeken uit.

In april van dit jaar greep de bankier en grootste crediteur van De Ster, de ING Bank, in. Ritman trad af als directeur en verloor zijn aandelen. Het voortbestaan van de kunstcollecties is nu in gevaar, want verwacht mag worden dat tenminste een deel van de collecties te gelde zal worden gemaakt ter aflossing van de schulden.

Joost Ruben Ritman (52) komt uit een familie van Rozenkruizers. Als jongeman legde hij al een privé-bibliotheek aan van voornamelijk zeventiende-eeuwse, mystieke documenten die Ritman zelf "de bronnen' noemt van het spirituele denken in West-Europa. Nadat hij in de jaren zestig in het zeep producerende bedrijf van zijn vader trad en het in de loop van de jaren zeventig uitbouwde tot de gigant die het nu is, kreeg hij voldoende middelen tot zijn beschikking om zijn bibliotheek op grootse wijze uit te breiden. Tot april was de Bibliotheca Philosophica Hermetica de snelst groeiende collectie oude drukken en handschriften van Nederland - niet in de laatste plaats omdat de universiteitsbibliotheken over verwaarloosbaar lage aankoopbudgetten beschikken.

Alleen met het beste was Ritman tevreden. Als bibliothecaris stelde hij Frans Janssen aan, hoogleraar in de boekgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens prof. P. Obbema, conservator Westerse handschriften van de Leidse universiteitsbibliotheek, kocht hij esoterische literatuur op een zodanig niveau en met zoveel gevoel voor kwaliteit dat de collectie nu uniek in de wereld is. “De British Library heeft op dat gebied misschien maar zestig procent van wat Ritman bezit,” meent Obbema, die benadrukt dat Ritmans verzamelbeleid bovendien zeer open was: “Als je bijvoorbeeld de catalogus van zijn incunabelen doorbladert, zie je dat hij niet alleen de stromingen in huis haalde waarmee hij het eens was. Hij verzamelde ook altijd de weerwoorden.”

Gebedenboek

Gaandeweg breidde Ritman zijn verzamelgebied uit: “Hij kreeg oog voor de kwaliteit van het boek in het algemeen,” zegt Obbema. Daarom heeft hij nu zulke uiteenlopende stukken als een van de eerste bijbels die van de persen van Gutenberg rolden, een uiterst zeldzame Franse graalroman uit de dertiende eeuw en het vijftiende-eeuwse verluchte gebedenboek van Beatrix van Assendelft, afkomstig uit de particuliere collectie Six. Dit gebedenboek mocht twee jaar geleden van WVC niet in Londen geveild worden: het ministerie greep toen met een spoedprocedure in om het "voorwerp van nationaal belang' voor Nederland te behouden. Uiteindelijk kocht Ritman het aan. Zijn bibliotheek bevat nu tussen de 200 en 300 handschriften, het merendeel uit de vijftiende eeuw, en meer dan 10.000 gedrukte werken, waarvan minstens 3000 van vóór 1800.

In 1986, het jaar waarin Ritman zijn privé-verzamelingen in de zaak inbracht, bedroeg de waarde van de bibliotheek 26 miljoen gulden; 17 miljoen voor de drukken tot 1800, 2 miljoen voor de drukken na 1800 en 7 miljoen voor handschriften. Eind 1991 was de boekwaarde van de bibliotheek 134 miljoen gulden.

De kern van de Bibliotheca Philosophica Hermetica zijn echter nog altijd de schriftelijke reacties op het Corpus Hermeticum. Het corpus is een verzameling theologisch-wijsgerige geschriften, in opdracht van Cosimo de Medici omstreeks 1460 vertaald uit het Grieks.

Tijdgenoten meenden dat ze de verloren leer bevatten van de Egyptische wijze Hermes Trismegistus, die geleefd zou hebben voor Mozes. De leer zou de bron zijn van zowel het bijbelse geloof als de Griekse wijsbegeerte. In de zeventien verhandelingen worden god, kosmos en mens gezien als één bezield verband. Vanaf het einde van de vijftiende tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw beleefde de "Hermetische filosofie' een grote bloei. In 1614 werd aangetoond dat de geschriften stamden uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. Sindsdien verloor het Hermetisme snel aan invloed. Het leefde nog slechts voort in kleine kring, met name onder Rozenkruisers en Vrijmetselaars.

Ter illustratie van de bloeiperiode en de ideeën van de door hem aangehangen filosofie verzamelde Ritman tevens Noord-Nederlandse oude kunst en kunstnijverheid. De kantoren van De Ster aan de Amsterdamse Bloem- en Prinsengracht, onder de Westertoren, zijn volledig in zeventiende-eeuwse stijl ingericht. Het enige waaraan de bezoeker kan zien dat hij zich niet in een authentiek Pieter de Hoogh-interieur bevindt, is het Wedgwoodservies waarin hij zijn koffie krijgt geserveerd. In 1986 werd de kunstverzameling geboekt voor 68 miljoen gulden, waarvan 17 miljoen voor etsen van Rembrandt, 14 miljoen voor zilver, 8 miljoen voor schilderijen en eenzelfde bedrag voor sieraden. Tussen 1986 en 1991 voegde Ritman voor 86 miljoen gulden aan de kunstcollectie toe.

Tot elke prijs

Volgens insiders ontwikkelde Ritman zich ook op dit gebied tot een verzamelaar die met niet minder dan de top genoegen nam. De meer dan 100 Rembrandt-etsen die hij bezit zijn alle uitgelezen exemplaren: de beste afdrukken, op het zeldzaamste papier. Ook het bijeengebrachte glas en zilver zijn van eerste kwaliteit. Het zeldzame vroege, Noord-Nederlandse majolica is beter dan dat van het Rijksmuseum. Kenners wijzen er op dat er nog vrij veel zeventiende-eeuwse kunstnijverheid op de markt is, zodat het relatief gemakkelijk is om op dat gebied een goede collectie te vormen. Overigens heeft Ritman, menen zij, als hartstochtelijk verzamelaar die bereid is elke prijs te betalen om een gewenst stuk te verkrijgen, de markt op sommige gebieden wel tot ongekende hoogte opgestuwd. Een handelaar wijst er op dat sommige collega's de afgelopen jaren slechts dankzij Ritman konden overleven.

Was Ritman - of sinds 1986 eigenlijk de Stergroep - een verzamelaar van het eerste echelon op nationaal niveau, op wereldniveau moest hij genoegen nemen met de tweede rang. Tegen kopers als de Californische Getty Trust kon hij bij het huidige prijsniveau niet op: het neusje van de zalm der oude schilderkunst kon hij zich niet veroorloven. De enkele tientallen zeventiende-eeuwse schilderijen - waaronder een Jan Steen, een Gerard Dou en een Ruysdael - die hij bezit zijn volgens een ingewijde van zodanig niveau dat een aantal provinciale musea heel blij zou zijn om er enkele van in huis te hebben. Er is echter "weinig bij dat het Rijksmuseum zou willen verwerven'. Ritmans adviseur op het gebied van de schilderkunst is Simon Levie, voormalig hoofddirecteur van het Rijksmuseum, die niet in wil gaan op vragen. Voor de kunstnijverheid adviseert H. Nijstad, voormalig antiquair en directeur van Christie's Nederland.

Mecenas

Joost Ritman stelde zijn verzamelde cultuurgoederen ook aan anderen ter beschikking. De bibliotheek aan de Bloemstraat is nog steeds op afspraak te bezoeken en de kunstvoorwerpen worden zeer regelmatig uitgeleend voor tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Onlangs nog exposeerde hij stukken uit zijn bibliotheek in Sint Petersburg en Moskou. In 1991 richtte hij in eigen huis een uitzonderlijk fraaie expositie in van incunabelen, ter gelegenheid van het verschijnen van de in zijn opdracht gemaakte en uitgegeven Nederlandse vertaling van het Corpus Hermeticum, die hij voor de spotprijs van 25 gulden op de markt bracht.

Ook hielp en sponsorde Ritman door de jaren heen tal van musea en andere culturele instellingen, in en buiten Amsterdam, en vaak in stilte. Zo droeg hij bij aan de restauratie van de Westerkerk, De Hortus Botanicus, de bibliotheek van de Portugees-Israëlitische synagoge, het Joods Historisch Museum en de Olofskapel en aan de bouw van de nieuwe vleugel van het Amsterdamse Concertgebouw. Hij ondersteunde financieel de pogingen om de Olympische spelen naar Amsterdam te halen. Hij zette een actie op touw om de in 1989 verwoeste universiteitsbibliotheek in Boekarest te redden. Hij stelde het Koninklijk Concertgebouworkest in staat om de complete muziekbibliotheek van het Concertgebouw te kopen. Enige jaren geleden vatte hij het plan op om het woonhuis van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse burgemeester Joan Huydecooper aan het Singel, dat in de oorlog op de gevel na verwoest werd, voor 15 miljoen gulden aan de Bloemgracht te herbouwen als nieuw onderkomen voor zijn bibliotheek. Dat plan is inmiddels terzijde gelegd. Nog zeer recent sponsorde hij de Judith Leyster-tentoonstelling in Haarlem en de catalogus van de tekeningententoonstelling "De verzameling Jacobus A. Klaver' in het Rijksprentenkabinet. Conservatoren van tal van musea wisten Ritman te vinden als er een grote aankoop moest worden gedaan waarvoor ze tegen zachte voorwaarden geld wilden lenen. Dat dan vervolgens zelfs vaak werd geschonken.

In interviews heeft Ritman herhaardelijk beklemtoond dat hij "de grote betekenis die Nederland als cultuurland heeft gehad', waarbij hij doelt op de Gouden Eeuw, wil helpen "voortzetten en bestendigen.' Ook in het verleden droegen rijke kooplieden bij aan het behoud en de verfraaiing van hun steden en naar zijn mening heeft hij - ofwel zijn bedrijf - dezelfde plicht. Ritman verklaarde in 1987 in Elseviers Weekblad geen enkele aanvechting te voelen om zich te vestigen in een land met een gunstiger fiscaal klimaat, waarmee hij een van de weinige patriotten onder de vermogende Nederlanders kan worden genoemd.

Collectiepremie

De vraag wat er gaat gebeuren met de Bibliotheca Philosophica Hermetica BV en de BV Dutch Renaissance Art Amsterdam, die zijn boeken en kunst herbergen, is vooralsnog onbeantwoord. Ritman is nog wel directeur en enig aandeelhouder van beide, maar zowel de boeken als de kunst zijn als onderpand voor leningen aan de bank gegeven.

Kenners uit de kunst- en boekenwereld schudden vertwijfeld hun hoofd bij het idee dat Ritmans verzamelingen op de markt zouden komen. Vrijwel allen spreken de mening uit dat in elk geval de boekencollectie voor Nederland behouden zou moeten blijven. Daarnaast wijzen ze er op dat de markt zulke hoogwaardige collecties niet in een keer op kan nemen. De markt voor oude drukken en handschriften is beperkt. Op de kunstmarkt wordt op het moment weinig omzet gemaakt: er zijn geen kopers. Daar moet ook de ING bank zenuwachtig van zijn geworden. Volgens Het Financieele Dagblad heeft de bank reeds onderhandeld met potentiële kopers over overname van de hele collectie, maar zijn die gesprekken op niets uitgelopen.

Men wijst erop dat Ritman zowel zijn kunst als zijn boeken op de top van de markt en dus duur heeft gekocht. Zo is hij bijvoorbeeld pas op "grote' schaal gellustreerde handschriften gaan kopen toen de belangstelling daarvoor in het algemeen erg toenam. Ook de Rembrandt-etsen heeft hij aangeschaft in een tijd waarin ze duurder waren dan ooit tevoren, hoewel verwacht mag worden dat die hun waarde wel zullen houden omdat het aanbod terugloopt. Ook heeft hij de kunst slechts relatief kort in zijn bezit. Als belegging beloven zijn aanwinsten weinig rendement.

Hoe dat komt werd onlangs uitstekend uitgelegd in het kunsthistorische tijdschrift Jong Holland. F. Hendriks, adjunct-directeur van de Philips Pensioenfondsen, vergeleek in het eerste nummer van dit jaar het rendement van een schilderijencollectie met dat van portefeuilles aandelen en obligaties. Hij baseerde zijn analyse op de omvangrijke verzameling Nederlandse schilderijen van B. de Geus van den Heuvel, bijeengebracht sinds 1931 en in 1976 in haar geheel geveild. Omdat van 259 nummers zowel de aan- als de verkoopprijzen bekend waren, kon Hendriks de prijsstijgingen berekenen en, na correcties voor inflatie en kosten, het rendement.

De verzameling, die het aanbod op de kunstmarkt redelijk weergaf, rendeerde opvallend veel beter dan representatieve pakketten aandelen en obligaties, indien aangekocht in dezelfde periode. Was het gemiddeld jaarrendement tussen 1931 en 1976 voor de schilderijen 4,2 procent, voor het aandelenpakket bedroeg dat 3,62 procent en voor de obligaties zelfs min 0,58 procent. Als belegging was de collectie De Geus van den Heuvel dus inflatiebestendig, sterk concurrerend met aandelen en aanzienlijk beter dan obligaties.

Dat zou goed nieuws kunnen betekenen bij een eventuele veiling van Ritmans kunstcollectie, ware het niet dat Hendriks wijst op een aantal eigenaardigheden van De Geus en zijn verzameling die voor Ritman niet op gaan. De Geus had een goed oog voor ondergewaardeerde kunstwerken, terwijl Ritman alleen dingen kocht die ook veel anderen reeds waardeerden. Daarnaast was De Geus een voorzichtig koper: "Hij zocht naar een evenwicht tussen prijs en kwaliteit.' Slechts zelden liet hij zich ertoe verleiden om kunstwerken te kopen voor een "te hoge' prijs; als dat wel gebeurde was het op spraakmakende veilingen, waar collecties met een grote reputatie onder de hamer kwamen. Hendriks voert voor dit verschijnsel het begrip "collectiepremie' in: een premie die betaald wordt voor de herkomst, "het verzamelaarsmerk'. Van op dergelijke veilingen "te duur' aangekochte werken was het rendement steeds opvallend laag.

De collectiepremie bevoordeelt slechts de verkopende verzamelaar, want na de veiling daalt ze snel. Hendriks schat haar op zo'n 20 procent van de prijs. Bij een snelle doorverkoop leveren kunstwerken waarop zo'n premie is betaald juist een extra laag rendement op: de hype wordt duur betaald. In het algemeen blijkt uit Hendriks' analyse dat het rendement van kunstwerken daalt naarmate de aankoopprijs stijgt.

Bij een gedwongen veiling van Ritmans kunstcollectie zou het tegenovergestelde effect van de collectiepremie optreden. Aan uit nood geboren verkopen zit altijd een luchtje: daarbij wordt extra zuinig geboden. De anonieme bronnen binnen De Ster die in april het nieuws van de reorganisatie naar Het Financieele Dagblad lieten lekken, hebben hun voormalige werkgever daarom geen dienst bewezen.

Ritman zelf, gevraagd naar een reactie op de inhoud van dit artikel, zag af van commentaar.

    • Kitty Kilian