De drie kandidaten voor de C. Buddingh'-prijs 1993

Er moet veel meer geschreeuwd worden in de literatuur, vindt Jan Roeven. Samen met Herman Leenders en Rouke van der Hoek is hij genomineerd voor de Cees Buddingh'-prijs 1993 voor nieuwe Nederlandse poëzie die op zaterdag tijdens Poetry International in Rotterdam zal worden uitgereikt. “De uitspraak schrijven is schrappen geldt voor mij niet,” zegt Herman Leenders. “Het juiste patina ontstaat pas als ik steeds nieuwe lagen toevoeg.”

Rouke van der Hoek; Een gedicht moet een vergrootglas van de wereld zijn

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 1952) herinnert zich dat het allemaal met Hugo Claus is begonnen. Hoewel hij als kind al dank zij zijn grootvader vertrouwd was geraakt met versjes van Jan Luyken, de Schoolmeester en Cats, kreeg hij pas werkelijk belangstelling voor poëzie toen hij op de middelbare school in een literatuurboek "Het dier' van Claus las. Hij besloot dat hij zelf ook zulke gedichten wilde schrijven, gedichten zonder rijm. Kort daarna kocht hij een verzamelbundel van Claus. Later leerde hij ook Ter Balkt, Kopland, Lodeizen en Lars Gustafsson waarderen. En ja, ook Buddingh leest hij met plezier.

Aanvankelijk schreef hij de schoolkrant vol met experimentele versjes. In 1974 en 1981 publiceerde hij twee dichtbundels die waren benvloed door Jacq Vogelaar, maar daar wil Van der Hoek liever niet te lang bij stilstaan. “Die gedichten konden mij wel amuseren maar ze waren erg ontoegankelijk. Ik heb nu een zwenking gemaakt naar poëzie die toegankelijk is en die toch ook iets duisters en verrassends heeft. Ik ben door heel wat benvloedingen heen gegaan maar ik geloof dat ik nu een eigen toon heb gevonden.”

Nadat een paar nieuwe gedichten in De Gids waren gepubliceerd, kwam Van der Hoek in contact met de kleine uitgeverij Herik in het Limburgse Landgraaf. Daar is vorig jaar in een oplage van vijfhonderd exemplaren Doorgewinterd landschap verschenen, dat hij als zijn eigenlijke poëziedebuut beschouwt. Als titel voor de bundel had hij eerst Roeken in zijn hoofd, niet alleen omdat dat de betekenis is van zijn Friese voornaam maar ook omdat in de gedichten roeken en andere vogels rondvliegen. Met vogels houdt hij zich al lang bezig.

Van der Hoek: “Het kwam door mijn opa, die was gek op vogels. Meer dan eens heeft hij een auto kapot gereden omdat hij afgeleid werd door een purperreiger en niet lette op de weg. Ik kreeg van hem een vogelboekje. Prachtige namen kwam ik daar in tegen, zoals grauwe klauwier en paapje. Later ging ik ze bekijken en toen begon ook het schrijven erover.”

Behalve over vogels heeft hij in Doorgewinterd landschap geschreven over paddestoelen, in de cyclus "Het evangelie van de paddestoelen', en over padden. De eerste twee kwatrijnen van "De paddentrek" gaan als volgt:

Als het in maart zacht wordt, lauw vochtig

komen de padden tevoorschijn.

Ze kruipen als op afspraak uit

komposthopen en putjes, hun ogen sluw van een hele winter films kijken.

Even bidden ze tot Baden-Powell: help ons ons pad vinden en verlos ons van de heer in de hemel der mensen, die uitvond de wielen van de

automobielen en de dodelijke infrastruktuur.

Van der Hoek: “Waar ik woon zie ik veel platgereden padden. Ik vroeg me af hoe ze hier kunnen overleven als ze in het voorjaar met honderden tegelijk de weg oversteken. Als ik over dieren schrijf, komt dat misschien doordat ik me druk maak over het milieu. Een tijdje geleden dacht ik, nu moet het eens afgelopen zijn met al die natuur, ik ga het over techniek hebben. Maar ik ben niet verder gekomen dan ophaalbruggen.”

Toch is Doorgewinterd landschap een gevarieerde bundel waarin lang niet alleen maar natuur voorkomt. Verwijzingen naar Van der Hoeks persoonlijke geschiedenis zijn bijvoorbeeld te vinden in "Uilen op het oorlogskerkhof' waarin zijn vader optreedt en in "Fort Blauwkapel' dat over zijn grootvader gaat. Ook staan er gedichten in die de invloed van het verleden op het heden beschrijven. Verder wijst hij op "Gedicht ter rehabilitatie van de werkelijkheid' en "De wereld is zeer precies wat er gebeurt' waarin de visie op de werkelijkheid het thema is. “Ik refereer daarmee aan discussies over het positivisme en de opvatting dat je pas bestaat als je wordt waargenomen,” aldus Van der Hoek.

Tenslotte schreef hij een cyclus gewijd aan Joeri Gagarin, de eerste kosmonaut die een vlucht om de aarde maakte: “Gagarin was een jeugdheld van me, een vrolijke man met fantastische teksten. Hij zei dat hij vanuit zijn raket kon zien welke akkers al geploegd waren en welke nog niet. Officieel is lang volgehouden dat hij bij een straaljagerongeluk in een storm is omgekomen, maar een paar jaar geleden bleek dat de verkeersleiders dronken waren en een fout hebben gemaakt.”

Van der Hoek, die als trainer en adviseur is verbonden aan een voormalige volkshogeschool in Limburg waar cursussen worden gegeven aan mensen uit het bedrijfsleven, schrijft tijdens "saaie vergaderingen' en in zijn vrije tijd. Aan Doorgewinterd landschap heeft hij, met onderbrekingen, tien jaar gewerkt. Vorig jaar was er naar zijn zeggen een plotselinge explosie: hij schreef toen ter gelegenheid van een project gewijd aan beeldende kunst en literatuur zestien gedichten bij schilderijen van Stijn Peeters.

Net zomin als zijn eerdere werk hebben die gedichten een strikte vorm. “Die vrijheid,” zegt hij, “vind ik een verworvenheid van de Vijftigers waar ik graag gebruik van maak. Wat mij aanspreekt zijn cyclische gedichten waarin, na allerlei zijstappen, het einde naar het begin verwijst. Een gedicht moet bovendien een vergrootglas op de wereld zijn zodat je alles als nieuw ziet.”