De drie kandidaten voor de C. Buddingh'-prijs 1993

Er moet veel meer geschreeuwd worden in de literatuur, vindt Jan Roeven. Samen met Herman Leenders en Rouke van der Hoek is hij genomineerd voor de Cees Buddingh'-prijs 1993 voor nieuwe Nederlandse poëzie die op zaterdag tijdens Poetry International in Rotterdam zal worden uitgereikt. “De uitspraak schrijven is schrappen geldt voor mij niet,” zegt Herman Leenders. “Het juiste patina ontstaat pas als ik steeds nieuwe lagen toevoeg.”

Herman Leenders; In de stad wordt de dood weggehouden

“Ik zou niet graag de geschiedenis ingaan als een natuurpoëet,” zegt Herman Leenders (Brugge, 1960). Toch is het landschap het bindende element in zijn bundel Ogentroost, die vorig jaar verscheen bij De Arbeiderspers en nu is genomineerd voor de Buddingh'-prijs 1993. Anders gezegd: het landschap is de aanleiding tot de poëzie, het landschap geeft de bundel eenheid en het landschap bepaalt de structuur van de bundel. Zoveel landschap bij elkaar is gevaarlijk beseft Leenders: “Je moet oppassen dat je niet een soort landschapsschilder wordt; om niet in kitsch te vervallen moet je door de clichés heenprikken.”

In veel gedichten, waarin het vaak mistig en herfstig is, waart de dood rond, soms zonder dat het met zoveel woorden wordt gezegd zoals in "Bezorgd':

De zwarte mercedes die

met een zware motor

door het landschap rijdt,

houdt halt bij elk huis.

Als ik hem hoor optrekken

loop ik door de tuin naar de

brievenbus voor een naam die mij niets zegt,

een datum die mij geruststelt.

“In een landschap verwijst alles naar de dood,” aldus Leenders. “Neem alleen al de verandering van de seizoenen. Ik heb jarenlang op het platteland gewoond en gemerkt dat de dood daar meer aanwezig is dan in de stad. De stad is er om je te doen vergeten dat je niet lang op aarde bent. Op het platteland word je daar juist vaak aan herinnerd. Een begrafeniswagen zie je al van verre aankomen, de dood brengt beweging in het land.

“Ik heb veel empathie met dood en ziekte, misschien doordat ik me identificeer met het slachtoffer. Het leven is wreed: je hebt altijd het gevoel dat de verkeerde mensen plotseling sterven zonder dat je afscheid kon nemen. Maar omdat met wanhoop niet valt te leven moet een schrijver daar weemoed van maken. Toch ben ik beschroomd om mijn gevoelens te uiten, daarom is de toon vaak koel en hard, een beetje zoals Elsschot. Eén van mijn gedichten eindigt bij voorbeeld met "Dood zijn doet geen pijn'. Dat zou een kind kunnen zeggen.”

De bundel is opgebouwd uit drie cycli: "Helle', "Mollevijver' en "Blakkeveld'. De gedichten in elke cyclus zijn rijk aan beeldspraak en hebben een strakke vorm: ze zijn telkens onderverdeeld in twee kwatrijnen die volgens Leenders gelijkstaan aan twee ademhalingen. Alleen de gedichten in het tweede deel hebben een iets afwijkende vorm: na de kwatrijnen volgt steevast een extra regel. Dat heeft volgens Leenders te maken met de mol die in deze cyclus de hoofdrol speelt. “De mol ondergraaft mijn systeem van twee strakke kwatrijnen. De titel "Wanhoop' van een van die gedichten moet je dan ook letterlijk opvatten: hij maakt er een wan-hoop van.”

De mol is het cruciale symbool in Ogentroost, legt Leenders uit. Het feit dat hij blind is en onder de grond leeft contrasteert met het visuele in de gedichten. Er is immers steeds sprake van de zichtbare wereld boven de grond en het kijken naar een landschap. De mollecyclus is bovendien niet voor niets het centrale deel in de bundel: “Als lezer ga je van de hel, die boven de grond is, naar de onderwereld waar alles zwart en donker is en dan kom je in het blakkeveld waar opeens een teveel aan licht is. De bundel eindigt dus lichter dan hij begint.

“Ik wil mijn relatie tot de werkelijkheid verduidelijken door een algemene werkelijkheid te beschrijven. Daarom roep ik een landschap op. Het zou erg zijn als die beschrijvingen in het anekdotische bleven steken. Het concrete moet een bepaald abstractieniveau bereiken, alleen dan kun je het persoonlijke overstijgen en iets bij de lezer veroorzaken. Het is een kwestie van de ene laag over de andere heenleggen. Meestal bedenk ik een titel pas achteraf om een bepaalde impressie een andere dimensie te geven. De uitspraak schrijven is schrappen geldt voor mij dan ook niet; het juiste patina ontstaat pas als ik steeds nieuwe lagen toevoeg. Omgekeerd betekent het dat sommige gedichten geen titel hebben omdat ik dan niets kon bedenken dat zinvol was.”

Leenders vindt dat de poëzie volstrekt los moet staan van de maker, daarom wil hij zo min mogelijk over zichzelf praten. Dat betekent niet dat hij het belang van poëzie niet kan of wil relativeren. Integendeel: “Het leven is niet poëzie, poëzie is eerder het gevolg van het leven. Op mijn sterfbed zou ik de poëzie wel op het altaar willen offeren om langer op aarde te kunnen blijven. Ik zou ook zonder poëzie kunnen leven, maar niet zonder mijn vrouw.

“Ik ontken niet dat poëzie deel van mijzelf uitmaakt en van mijn manier van zien, maar het is niet zo dat je mij moet kennen om mijn poëzie te kunnen waarderen. Een gedicht moet een universele taal spreken. Roland Holst kon dat goed. In Een winter aan zee is het hem gelukt distantie te bewaren en toch poëzie te schrijven met een algemene geldigheid.”