Aboriginals

Met belangstelling begon ik het artikel van Rudy Kousbroek (Knuppelaar en geknuppelde zijn een, CS 28-5) te lezen, hoewel ik al tijdens onze veel te korte ontmoeting waarnaar het artikel verwijst, besefte dat we elkaar helemaal niet ontmoet hebben.

Die ontmoeting leek op die van twee mensen in verschillende, in tegengestelde richting rijdende treinen. Beide treinen stoppen ergens, zodat de twee een gedachtenwisseling kunnen hebben.

A: "Waar gaat u naar toe?'

B: "Naar de aboriginals in Australië.'

A: "Waarom? Dat zijn kannibalen en beulen.'

B: "Maar ik vind hun dansen heel belangrijk.'

Voor deze hoogst fijnzinnige conversatie kon worden voortgezet, waren beide treinen alweer vertrokken.

Ik heb genoeg tijd bij de Australische aboriginals doorgebracht om me te realiseren dat zij gebruik maken van signalen die wij al lang niet meer kennen, misschien doordat onze antennes die deze signalen doorgeven te lang niet geactiveerd zijn. Deze ervaring leidde niet alleen tot nieuwe overtuigingen, maar ook tot nieuwe energie om verder te gaan. Nadenkend over onze eigen traditie, kreeg ik het besef van een gemeenschappelijke achtergrond, een gemeenschappelijk gevoel voor wat we allemaal doen.

Ik begrijp Rudy Kousbroeks woede over de wreedheid van de zogenaamde "primitieve culturen'. Ik deel ook zijn weerzin tegen het romantiseren van hun bestaan. Maar welke wreedheid van welke stam uit het stenen tijdperk dan ook kan worden vergeleken met de "beschaafde daden' van onze westerse cultuur, met het rampzaligste menselijke record aller tijden?

Kousbroek heeft helemaal niet begrepen dat ik niet ben genteresseerd in een vergelijking van en een moreel oordeel over de daden van welke beschaving dan ook. Ik ben genteresseerd in elementen van de dans van de aboriginals, hun muziek en hun kunst, die me soms inspireren en bepaalde inzichten geven. Ik ben een choreograaf, niet een moralist of antropoloog.

Ik vraag me af hoe Kousbroek, toch een erudiete man, het belang van de etnische elementen in het werk van Picasso, Brancusi, Giacometti en Gauguin kan interpreteren als een "verkeerd begrip van het wrede kannibalisme'. Moeten we niet de goden danken voor hun bestaan?

De geestelijke basis van Kousbroeks artikel zou me niet moeten raken aangezien ik het een tamelijk futiele poging vind. Als hij een recente publikatie wil bespreken van een antropoloog die 30 jaar met de Yanomamö-indianen heeft geleefd, waarom doet hij dat dan in een totaal andere context? In zijn poging om twee geheel verschillende aspecten met elkaar te verbinden, maakt hij voordurend insinuaties over valse pretenties ("het romantiseren van primitieve culturen'). Hij stileert de oorspronkelijke bewoners van Australië tot Afrika tot "bloeddorstige Draufgängers die gericht waren op folteren, pijnigen en verminken' en opent daarmee op onverantwoordelijke wijze de deuren tot allerlei soorten (modieuze?) fascistische tendensen.

Nooit zou ik een van mijn werken baseren op zo'n "onbegrip' of "geloof'. Tussen twee haakjes: heeft hij ooit de moeite genomen om een van de choreografieën te zien waarover hij schrijft?

Naschrift Rudy Kousbroek:

Jir Kilián heeft niet begrepen dat wat ik schreef noch met de kwaliteit, noch met de "inhoud' (wat dat ook is) van zijn choreografieën iets uitstaande heeft. Ik had het over "meesterwerken, gebaseerd op een misverstand' en probeerde duidelijk te maken dat dit eigenlijk van toepassing is op ieder kunstwerk dat vervaardigd is vanuit een of ander geloof.

Ik zeg niet dat Kilián een antropoloog is - integendeel! - maar dat hij wel degelijk een moralist is (en bovendien een misguided one), daarover ging nu juist mijn artikel. Het blijkt ook hier weer uit zijn opvatting van "de westerse cultuur, met het rampzaligste menselijke record aller tijden'. Ik ben integendeel van mening dat de westerse cultuur de minst onmenselijke is die er ooit heeft bestaan.

    • Jirí Kilián