Washington wil toch prioriteit voor buitenlandse vestigingen

NEW YORK, 10 JUNI. De bekendmaking deze week dat buitenlanders steeds minder geld in de Verenigde Staten investeren, is voor de regering Clinton officieel nog geen aanleiding voor het ontwikkelen van nieuw beleid. Dat zegt een woordvoerder van het Bureau voor Macro-Economische Analyse van het Amerikaanse ministerie van Handel.

Twee weken geleden echter is het beleid ten opzichte van binnenlandse en buitenlandse bedrijven aan de orde geweest in een kabinetsvergadering. Prioriteit van de regering krijgen natuurlijk de Amerikaanse bedrijven, maar in tegenstelling tot voorheen zijn het voortaan de buitenlandse ondernemingen met fabrieken in de VS die de voorkeur hebben boven Amerikaanse vestigingen in het buitenland.

Het besluit is een compromis tussen Robert Reich, minister van Arbeid, en Laura D'Andrea Tyson, hoofd van de Economische Adviesraad, die in hun beider academische carrières verkondigden dat de nationaliteit van een onderneming de doorslag geeft bij het bepalen van beleid. In zijn boek The Next American Frontier, verschenen in 1983, wijst Reich er al op dat alleen internationalisering kan voorkomen dat Amerikanen in de toekomst genoegen zullen moeten nemen met een lagere levensstandaard. Hij stelt zich op het standpunt dat de Amerikaanse overheid alle bedrijven moet helpen die Amerikanen in dienst nemen. Tyson daarentegen stelde dat buitenlandse bedrijven hun hooggekwalificeerde banen in eigen land houden en daarom geen prioriteit verdienen boven Amerikaanse vestigingen overzee.

De huidige praktijk laat zien dat Amerikaanse ondernemingen in het buitenland hun managers vaak mee-exporteren maar dat buitenlandse ondernemingen in de VS volwaardige Amerikaanse bedrijven zijn. De Japanse autofabrieken in de VS maken op dit moment maar liefst 11 procent van alle Amerikaanse auto's en terreinwagens.

Deelnemers aan de vergadering zeiden volgens een verslag in de New York Times dat het moeilijk was naar aanleiding van het besluit een duidelijk beleid uit te stippelen. Hoe zien de prioriteiten eruit? Op welke manier geeft de overheid steun? De vele joint-ventures tussen bedrijven van verschillende landen vergrootten die moeilijkheid alleen maar.

Het afnemen van de buitenlandse investeringen in de VS van 72,7 miljard dollar in 1988 tot 13,5 miljard dollar vorig jaar is volgens directeur Sue McGuire van het Bureau voor Macro-Economische Analyse “een afspiegeling van de internationale economische situatie”. Met name de investeringen uit Japan en Frankrijk zijn de afgelopen jaren met miljarden teruggelopen.

Het beleid is volgens haar nog steeds gericht op het aantrekken van alle investeerders in het kader van het zogeheten "open-deur'-beleid dat de VS voorstaat. Dit leidde ertoe dat in de tweede helft van de jaren tachtig de investeringen enorm toenamen. Vooral de investeringen uit Japan hebben volgens McGuire overmatig veel aandacht van de media gekregen. Het beleid is na het vertrek van Bush volgens McGuire niet veranderd. “De enige restricties die wij buitenlandse investeerders opleggen, hebben te maken met nationale veiligheid.”

Gericht beleid voor het aantrekken van buitenlandse investeerders gebeurt volgens haar niet door de federale overheid. “We zien dat meestal staten en zelfs steden hun best doen om buitenlandse investeringen aan te trekken”, aldus McGuire. “Er zijn zelfs staten die in hun beleid andere staten net zo behandelen als andere naties.” Recent voorbeeld hiervan was de strijd tussen enkele staten om de vestiging van een BMW-fabriek in de VS. Ook van burgemeesters is bekend dat ze regelmatig buitenlandse reizen maken.

Het bevoordelen van buitenlandse investeerders op wat voor manier dan ook staat haaks op verkiezingsuitspraken van Clinton, waarin hij aankondigde buitenlandse bedrijven harder aan te pakken, omdat ze de belasting zouden ontduiken. Door strengere naleving van de regels meende Clinton 40 miljard dollar binnen te kunnen halen. Dat cijfer is inmiddels naar het rijk der fabelen verwezen maar een omslag naar het inde watten leggen van diezelfde buitenlandse bedrijven willen betrokkenen eerst graag in de praktijk zien. Een Europese ambtenaar in Washington is er niet gerust op: “Die 22 miljard dollar die nu van de opbrengst van de energiebelasting af gaat moet straks ergens vandaan komen.”

    • Lucas Ligtenberg