Verleidingen langs de weg naar Kopenhagen; Het Arcadie van het noorden

De zelfvervoerder kiest de kortste weg van A naar B, en bekommert zich niet om het tussenliggende gebied. De reiziger maakt omtrekkende bewegingen. De laatste aflevering in de serie Doorgaande Wegen beschrijft de weg naar het Noorden, met kleine uitstapjes van de Autobahn. Naar het Teutoburgerwoud bijvoorbeeld, en naar Holstein, waar de dorpen in het landschap liggen opgerold als slapende egels.

Enkele kilometers voorbij Oldenzaal verruimt de autoweg naar Duitsland zich, met rijstroken en parkeerterreinen terzijde. Daar zijn de grenskantoren voor vrachtauto's; toeristen vervolgen hun weg door een sluisje langs een loket dat altijd onbemand is. Het enige dat van hen wordt verwacht is dat zij even vaart minderen, als een teken van respect voor de afwezige grenswachters.

Vroeger was grensoverschrijden in West-Europa een beklemmende ervaring: de reiziger stond een paar minuten onder verdenking, en ondervond de doorlating als een gunst bij gebrek aan bewijs. Daarna was het buitenland werkelijk een ander land. Tegenwoordig is het net zo'n asfaltweg als thuis. Het voornaamste verschil is dat de automobilist die zich in Nederland volwaardig weggebruiker voelt bij een snelheid van honderddertig - honderdtwintig plus vijf voor de overdrijving van de snelheidsmeter en vijf als cadeautje van de politie - in Duitsland door alle serieuze automobilisten wordt ingehaald. De Porsches rijden honderdnegentig, de Mercedessen honderdzeventig, de Golfjes honderdvijftig, en dan kom ik, rechtop aan het stuur in de rechterbaan tussen de vrachtauto's.

Er zijn tegengestelde opvattingen in omloop over het rijden op autoroutes en -bahnen. De een vindt het schitterend, want je bent zo gauw waar je wezen moet. De ander zegt: dit is een lagere vorm van reizen, het is zelfvervoer van A naar B, met verwaarlozing van het tussenliggende gebied.

Helemaal gelijk heeft deze ander niet. Want het uitzicht wisselt: nu eens bos, dan weiland met rustende koeien; hier moderne fabrieken met logo's, daar havengebied met hijskranen. Er is van alles te zien, soms iets dat in de herinnering beklijft, maar de zelfvervoerder laat zich ternauwernood afleiden van het wegdek. Als hij slaperig wordt is hij bereid om even op een parkeerterrein te verblijven, onder soortgenoten; dat is geen ontspanning, het is een pit-stop.

De reiziger daarentegen is iemand die zowat ieder uur de behoefte voelt om het tweezijdige wegdek te verlaten voor de veelzijdige wereld ernaast. Ausfahrt, Ausfahrt, staat er telkens langs de weg. In Nederland wijst dat woord naar het graf; op de Autobahn naar het leven. Wat een ontspanning is het om na een grote bocht van de Autobahn af, stil te houden voor de weg die onder het viaduct doorloopt, het grauwen van de Mercedessen verzacht van boven te horen komen, en in het ruige gras aan de overkant een verdorde tak en een gedeukt bierblikje te zien liggen.

Het eerste punt om "uit te varen' komt nog voordat de weg zich werkelijk naar het noorden buigt bij Osnabrück: het Teutoburger Woud, een van de naklinkende namen uit de oude geschiedenis. Varus, Varus, mijn legioenen terug! (Vare, Vare, redde legiones!) riep Keizer Augustus uit toen zijn veldheer er in het jaar 9 verslagen was door de plaatselijke barbaren. En nog steeds ligt er het bos, met ronde kruinen opeengepakt tegen de hellingen. Tweeduizend jaar later zijn er dorpen gebouwd. Desondanks kan de eenzame reiziger zijn auto op een verborgen plaats zetten en tussen de bomen wegdwalen zonder enige zekerheid dat hij zijn uitgangspunt terug zal vinden.

Ongeveer tachtig kilometer naar het noorden - een half uur voor iemand die opschiet - ligt weer zo'n verleiding: het natuurgebied van Wildeshausen. Weer Ausfahrt, het plaatsje bekijken, waar weinig bijzonders aan is, en langs de weg stilstaan bij een voorname boerderij met land uitgespaard tussen de bossen; en leunend op een hek nadenken over wat een verschil het zou zijn wanneer deze boerderij net zo lag in het Franse of het Engelse landschap.

Verder, verder. Ook de reiziger heeft haast, hoewel niet zo dringend als de vervoerder. Een kwartier op topsnelheid en daar is Bremen met vele toegangen, waaruit de mij omstuwende Duitsers feilloos de gewenste weten te kiezen; een half uur later komt Hamburg met nog meer toegangen en Dreieck-splitsingen, en een paar keer de schrik van een vertraging op alle drie de banen, alsof een eindje verderop een eend met jongen oversteekt. In de vertraging ontmoeten de blikken van een toerist en een inwoner elkaar wel eens, allebei strak en droog, zoals gebruikelijk onder automobilisten. Niemand zou de extra afstand kunnen onderscheiden die de Nederlander dan achter zijn ogen bewaart. De meerderheid van de Duitsers kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor wat er vijftig jaar geleden gebeurd is; toch zijn zij daar de erfgenamen van, en het geeft hun iets onbekends, onbeschermds, onoplosbaars tegenover buitenlanders zoals wij, die moeiteloos rechtschapen leven van de wieg tot het graf.

Bremen en Hamburg zijn geen plaatsen om af te stappen; het zijn reisdoelen op zichzelf. Wie nog even geduld heeft, kan beter voortstormen tot de afslagen naar Bad Oldesloe of Reinfeld, en, zonder zich om die plaatsjes te bekommeren, het land van Holstein inrollen. Daar ligt het Arcadië van de noordelijke route, met een warme zon en een koele wind; dorpen van tien huizen en een kerk op een terp tussen de bomen, en, op een weiland dat afglijdt naar een meer, een roodschimmel opkijkend van het grazen alsof hij zich verwondert. Sommige van de grotere gemeentes zijn te gezondheidsbewust om aantrekkelijk te blijven, met baden en bronnen, herstellingsoorden en reclameborden. Daarbuiten liggen de dorpen in het landschap opgerold als slapende egels. Er komt een man met een hooivork voorbij in de schaduw van een bomenrij. De automobilist die zich wil oriënteren kan voor een kruising rustig drie minuten op zijn kaart turen, zonder dat iemand hem opzijtoetert. Alleen een jongen die een heg staat te snoeien kijkt om, en steekt een vinger op als groet.

Het zou in de zuidelijke Bourgogne of westelijk Engeland kunnen zijn, maar Holstein heeft een eigen karakter, samengesteld uit de volmaakte koele wind, de slingerende wegen, de meren en vijvers, en de huizen en boerderijen zo proper als modelkeukens. Eigenlijk een land om een tweede huisje te zoeken. Nee, om met rust te laten.

Aan de overkant van de autoweg bij Holstein ligt Lübeck, de Hansestad, 850 jaar oud zoals in veel van de etalages vermeld staat. De stad is in de loop van de eeuwen goed ingewoond, en heeft historische monumenten, cafés, eethuizen, straattaferelen en twee beroemde zonen, Thomas en Heinrich Mann. Het Buddenbrookhaus dat in de negentiende eeuw van hun familie was, van buiten opgeknapt en van binnen hygiënisch gemoderniseerd, toont een uitstalling van foto's en kopieën van hun brieven. Alles is namaak, maar lees een paar van de brieven en het verleden keert terug.

In de binnenstad, na de oorlog herbouwd tussen de monumenten, gedragen de mensen van Lübeck zich als een makkelijk, slenterend, bierdrinkend volk. De Chinese ober van het hotel dat ik er vond kwam mijn auto bekijken en vragen hoe oud hij al was; hij leende mij een boekje over de stad. In het voetgangersdomein van de Breite Strasse zat een dakloze man met een hondje en een omgekeerde pet voor de bank onder het bord Geldautomat; voor het Rathaus speelden twee jongetjes op een afstand van elkaar harmonica, de een heel slecht, de ander iets beter, allebei zonder ophouden. Sommige steden zijn zo, die laten straatbeelden na bij de bezoeker.

Van Lübeck naar de Oostzeekust wordt de weg geleidelijk rustiger, en na vijftig kilometer ook smaller. Hij loopt uit op het haventje van Puttgarden waar de boot naar Denemarken ligt; ieder half uur vaart er een, in de voorzomer slechts voor eenderde gevuld. Op een heldere dag is de overkant bij voorbaat te zien. De boot doet er een uur over naar Rodbyhavn, op een zee als een meer.

Dan leidt een vierbaansweg naar Kopenhagen, honderdzestig kilometer ver. Het eerste uur lijkt het een overbesteding van asfalt, want er rijden weinig auto's; het omliggende land ziet er groen en groeizaam uit en er woont haast niemand. Tegen de helft van de afstand wordt het drukker, en op den duur zeer druk, zonder dat er een toenemende bevolkingsdichtheid te constateren is in de omgeving of op de kaart. Het is het raadsel van de grote Deense autoweg: waarom willen al die mensen erop rijden? In het lege landschap is het nog raadselachtiger dan tussen de steden van West-Duitsland of de Hollandse randstad. Waar moeten zij zo nodig naartoe? vraagt de rustende reiziger, die van een brug over de weg bekijkt hoe de auto's elkaar op de hielen zitten, zich af. Op elke autoweg van Europa duizenden automobilisten voor wie iedere meter telt, dag en nacht. En buiten hun auto's nemen zij overal de tijd voor, als je ze nodig hebt. Het is een wonderlijke trek in de mens, zelden zo wonderlijk als op de autoweg naar Kopenhagen.

Als de verklaring - althans voor die ene richting - zou zijn dat de mensen in Kopenhagen willen aankomen, is het raadsel nog niet opgelost. Want dat is niet een stad om van te dromen. Wat het centrum moet heten, is in hoofdzaak een kantorenwijk, met hier en daar een lusteloos eethuisje. Ik hoor dat de Denen er zelf ook weinig mee op hebben, maar het kan hun niet meer schelen want zij zijn in de uitgestrekte buitenwijken gaan wonen. Als zij uit willen gaan zij zeker naar het park Tivoli, dat niet alleen pret biedt zoals zijn reputatie doet verwachten: ook kinderspel en horeca, en 's avonds toneel en muziek. Voor een passant is het geen aanmoedigende formule, eerst zowat ƒ 7,50 betalen om het park te betreden, en dan kijken of iets de moeite waard lijkt om nader op in te gaan.

De naam van Kopenhagen is mooier dan zijn werkelijkheid. Er sloffen toeristen langs de brede lege straten, Denen staan te wachten bij de bushaltes, en tegen het donker gaan op de hoge kantoren de lichtreclames aan. Het zou overal op de wereld kunnen zijn, tot in het rode wachtende mannetje en het groene lopende mannetje van voetgangersverkeerslichten toe. Er wonen natuurlijk veel geschikte, lieve mensen in Kopenhagen, en soms als zij om de tafel verenigd zitten is het gelach niet van de lucht; maar hun stad is ongeschikt om in te flaneren.

Het geeft niet, want de weg naar het noorden reikt verder, tot in de bossen en langs de duistere wateren van Noorwegen en Zweden. Nog even een zeearm over, dan ligt er weer asfalt. You can't miss it, zoals wij onder toeristen zeggen.

Wegennet

Afstand Amsterdam-Kopenhagen: 780 km. Het wegennet in Denemarken is goed verzorgd, bijna alle wegen zijn geasfalteerd. De autosnelwegen in Denemarken zijn nog wat ouderwets, over het algemeen vierbaans. Inl. over Denemarken en de route naar het Noorden: Deens Verkeersbureau: 071-211433.Drukke wegen en knelpunten

A1: Dortmund-Lübeck: tussen Dortmund en het Kamener Kreuz, tussen Münster en Osnabrück, ter hoogte van Hamburg,en ter hoogte van Lübeck.

Ruhrgebied: A3 Keulen-Duisburg, A4 Aken-Keulen, A 46 Düsseldorf-Dortmund.

A7: Kassel-Flensburg (Deense grens), tussen Kassel en Hildesheim, ter hoogte van Hamburg.Alternatieve routes

Eventuele knelpunten op de Autobahnen kunnen worden ontweken door vanaf de Autobahn de blauwe omleidingsborden te volgen.Piekdagen

19 en 20 juni; weekends in juli; 8 en 9 augustus Benzine

Geopend van 7-22 uur. Loodvrije benzine ("Blyfri') is bij ieder pompstation verkrijgbaar. LPG (of "Bilgas') langs de autosnelwegen niet, maar daarbuiten goed verkrijgbaar. Creditcards geaccepteerd.

    • J.J. Peereboom