Verdwenen Roggelelie keert terug in het landschap

Een bijzondere plant keert terug in het Nederlandse landschap. Komende woensdag maakt de uitgestorven gewaande roggelelie (Lilium bulbiferum croceum) zijn come-back met een feestelijke herintroductie in het Nederlands Openluchtmuseum.

Deze prachtige plant hoort vanouds thuis in de rogge-akkers. Volgens negentiende-eeuwse beschrijvingen boden deze velden vroeger een kleurrijke aanblik dankzij het goudgeel van het graan, het blauw van de korenbloemen en het oranje van de roggelelie. Koning-stadhouder Willem III liet zich met de roggelelie afbeelden, vandaar de naam Lelie van Oranje, bij de Ierse protestanten nog steeds een populair symbool.

Herbiciden hebben de akkers echter geschoond en van de roggeteelt is niet veel meer over. Zo verdween ook de roggelelie, men wist niet beter of hij was uitgestorven.

Leliekenner Fred Bos ontdekte bij toeval een aantal roggeleliebollen op het erf van zijn vader op de Drentse Hondsrug. Zijn ouders hadden deze planten ooit meegenomen van de akker en in de tuin gezet. Een jarenlange speurtocht wees uit, dat de lelie in Oost-Nederland en het aangrenzende Duitse gebied, waar vroeger rogge werd geteeld, nog in een aantal tuinen voorkwam. Bos wist er weer een flink aantal jonge bollen uit te kweken.

Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de roggelelie ligt voornamelijk in het stroomdal van de grote rivieren als de Weser, de Elbe en de Eems, het oude Hunzedal en het dal van de Overijsselse Vecht. Tegenwoordig is de plant nog in het wild te vinden in de Zuidelijke Alpen en de Apennijnen.

Het is de bedoeling de Roggelelie weer in Nederlandse akkerreservaten uit te planten. Hiervoor wordt de medewerking gevraagd van het Gelders, Groninger en Drents Landschap. Ook een aantal botanische tuinen krijgen de bollen, evenals de tuin van Willem III, Paleis het Loo. In het Nederlands Openluchtmuseum krijgt de nieuwe lelie een prominente plaats in de collectie oude boerentuinplanten, ook wordt hij als akkeronkruid in een roggeveld geplant.

Bij het DLO-Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek (CPRO) in Wageningen heeft men door vegetatieve vermeerdering voldoende basismateriaal opgekweekt voor de beoogde herintroductie. Deze planten zijn min of meer identiek aan het oorspronkelijke wilde materiaal.

Daarnaast bestaat grote belangstelling voor de Roggelelie als mogelijke kruisingsouder in kweekprogramma's. Vrijwel alle gekleurde lelies met grote rechtopstaande bloemen, die je tegenwoordig als snijbloem of tuinplant ziet, behoren tot de groep van de Aziatische hybriden. Deze zijn zo'n 50 jaar geleden ontstaan uit een groep van een stuk of tien verschillende leliesoorten, die steeds opnieuw onderling zijn gekruist. Ook de Roggelelie hoorde daarbij. Volgens de Wageningse leliespecialsist dr. J. van Tuyl is toen echter maar één herkomst van de Roggelelie gebruikt en bovendien is niet naar ziekteresistenties gekeken.

Dankzij het werk van Fred Bos heeft men in Wageningen nu zo'n 30 verschillende herkomsten uit de boerentuinen beschikbaar. Men kan die op uiterlijke gronden onderscheiden en bovendien zijn ze gemakkelijk uit elkaar te houden omdat elke kloon zelfincompatibel is. Dat betekent dat een kruising slechts slaagt, als er twee verschillende herkomsten in het spel zijn. Gaat het om identiek materiaal, dan zal de kruising mislukken.

Omdat de roggelelies er op het eerste gezicht zeer gezond uitzagen werd gehoopt dat ze virusresistent zouden zijn. Dat blijkt helaas niet het geval, ze raken gemakkelijk besmet. Waarschijnlijk zijn de planten in de boerentuinen jarenlang gezond gebleven omdat ze op deze gesoleerde groeiplaatsen niet met virusziekten in aanraking kwamen. Van Tuyl hoopt nog wel andere resistentie-eigenschappen in de Roggelelie te ontdekken.