Transplantatie van astmalong bezorgt ook tweede eigenaar astma

Een long van een orgaandonor die aan astma leed bezorgt de ontvanger astma, maar een transplantatielong van een niet astma-lijder behoedt een ontvangende astmapatiënt voor astma. Twee Engelse artsen concluderen dit op grond van twee longtranplantaties van mild-astmatische donoren naar astmavrije ontvangers en twee orgaandonaties van niet-astmadonoren naar astmapatiënten. (The Lancet, 29 mei).

De resultaten van deze transplantaties ondersteunen het idee dat astma een ziekte is waarvan de oorsprong voornamelijk in de longen ligt. Astma is waarschijnlijk een "lokale' ziekte en de genetische aanleg van longcellen speelt een grote rol in het ontstaan van astma. Volgens een commentator in The Lancet blijven longen die niet zijn "voorbestemd' om astmalongen te worden niet-astmatisch, zelfs als ze donorlonge worden en genfiltreerd worden door lymfocyten en andere ontstekingscellen van de in aanleg astmatische ontvanger.

Astma ontstaat door een tijdelijke luchtwegvernauwing als gevolg van een luchtwegontsteking. Omgevingsinvloeden (stof, luchtverontreiniging, allergenen, inspanning) hebben invloed op de ernst van astma, maar niet iedereen krijgt astma onder ongunstige omstandigheden. Astma komt regelmatig in families voor, vooral onder verwanten met een atopische constitutie. Zij hebben vaak last van allergische reacties: hooikoorts, eczeem, netelroos en allergische astma. Genetisch onderzoek suggereert dat een astma-gerelateerd gen op een bepaalde plaats op chromosoom 11 ligt.

Bij een longtransplantatie bevatten de cellen van de donorlong andere genetische informatie dan de lichaamscellen van de ontvanger. Het bloed en de bloedcellen van de ontvanger stromen door de donorlongen. Tot de bloedcellen behoren lymfocyten en macrofagen van het afweersysteem die in staat zijn om een ontstekingsreactie te veroorzaken.

De longen van mild-astmatische donoren veroorzaakten in de ontvangers iets zwaardere astma dan in de oorspronkelijke eigenaren van de longen. Toch waren de ontvangers beter af met de donorlongen dan met hun eigen door ziekte aangetaste longen, wat begrijpelijk is, want de patiënten waren voorafgaand aan hun transplantaties ten dode opgeschreven.

Bij de ernstig-astmatische patiënten die niet-astmalongen kregen, ontstond geen astma terwijl beide patiënten nu al drie jaar met hun nieuwe longen leven. Dit suggereert dat bij astma behalve het afweersysteem ook nog de (genetische?) constitutie van de longen van belang is. Een echt bewijs is het niet, want transplantatiepatiënten krijgen altijd middelen te slikken die het afweersysteem onderdrukken (om afstotingsreacties tegen te gaan) en de zenuwbanen van donorlongen en ontvanger worden niet gekoppeld. De longen kunnen dus niet via het centraal zenuwstelksel aanzetten tot een ontstekingsreactie.