Schumacher volhardt in ongemanierd en rauw schilderen

Tentoonstelling: Emil Schumacher, Schilderijen 1936-1991. T/m 27 juni, Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 72, Den Haag. Di. t/m zo. 11-17 uur. Catalogus ƒ 45.

Emil Schumacher (Hagen, 1912) hoort tot een generatie schilders die in ieder geval wist hoe een doek er niet moest uitzien. Of ze nu tachisten, informelen, experimentelen, abstract-expressionisten of materieschilders heten, allen deelden ze hun weerzin tegen geconstrueerde of beredeneerde kunst. Ze wilden afrekenen met het verleden en de kunst bevrijden van zaken als geometrie, perspektief en symboliek. Voortaan zou de kunst voor zichzelf moeten spreken. "Oermaterie' was het toverwoord. Een Big-Bang in de schilderkunst moest voor een nieuw hoofdstuk zorgen; een gestolde bruisende smurrie, vertaald in vaak dik aangebrachte verf, al dan niet vermengd met gips, zand, lijm en allerlei gruisdeeltjes.

Inlijsten was uit den boze. Om het doek mocht hooguit een latje geslagen worden, want het schilderij kende eigenlijk geen onder- of bovenkant en kon eindeloos de ruimte in gedacht worden.

Van Schumacher, die als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Duitse na-oorlogse schilderkunst geldt, is ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag een overzichtstentoonstelling ingericht - die eerder te zien is geweest in Frankfurt en Leipzig - in het Haags Gemeentemuseum met zestig schilderijen uit Duitse openbare en particuliere collecties uit de periode 1936-1991.

Schumacher is een taaie volhouder met een uitzonderlijk ongemanierde rauwe werkwijze die hij midden jaren vijftig duidelijk onder invloed van Wols heeft ontwikkeld. Uit zijn oeuvre blijkt dat hij een van de weinigen is geweest die de eenmaal ingeslagen weg niet meer heeft verlaten. Ook in de jaren zeventig toen er eigenlijk niet meer expressief geschilderd mocht worden bleef hij de schilderkunst trouw. Van zijn weinig stijlvaste vroegere werk is in Den Haag slechts een enkel voorbeeld te zien. Een simpel schilderijtje uit 1936 op karton in bruin-grijze tinten voorstellende een paar lange jassen en een strenge gleufhoed aan een kast en een stoel. Een van zijn laatste doeken die figuratief genoemd kunnen worden, al is het bijna als een Miro veel vrijer en losser van vorm geschilderd, is het schilderij Strandbild uit 1950. Pas midden jaren tachtig keren vagelijk herkenbare landschappelijke elementen in zijn oeuvre terug. Soms zijn de overeenkomsten met Armando frappant. Schumachers Paripa uit 1961, waarop met de handschoen neergezette rode verfvegen op een zwarte achtergrond hebben dezelfde Tatort-achtige sfeer als Armando's "peintures criminelles'. In de jaren tachtig zien we ook in Schumachers schilderijen karrewielen en ladders opduiken.

Maar telkens als zich een thema lijkt aan te dienen, stapt Schumacher er weer vanaf. Misschien uit angst om in maniertjes te vervallen, zoekt hij keer op keer het experiment weer op. Dreigt een doek te donker en te pathetisch te worden, dan klaart de boel in een volgend schilderij weer op. Er ontstaat weer ruimte en ijle lijnen krijgen weer lucht in lichtblauw en wit.

Een fotoportret uit 1926, halverwege de catalogus, zegt misschien wel het meest over Schumachers houding. Als veertienjarige rijdt hij op een stevige herenfiets zonder spatborden aan de verkeerde kant van de weg. Eén hand in de zak, de andere aan een racestuur.

Terugbladerend zien we hem als een tachtigjarige vent met pretoogjes voor één van z'n doeken poseren. De pagina ernaast vermeldt een lange lijst van prestigieuze bruikleengevers. Een Schumacher doet al gauw een miljoen Duitse Marken.